Inzetten op een divers sociaal netwerk

Sjoerd de Koning

Het is nu meer dan een half jaar geleden dat onze koning zijn eerste troonrede uitsprak. Het volk werd medegedeeld dat we van een klassieke verzorgingsstaat naar een participatiesamenleving gaan. De koning achtte ons – de mens in de huidige informatiesamenleving – ‘mondiger en zelfstandiger dan vroeger’. In prachtige volzinnen werd uitgelegd hoe de noodzaak om financiële tekorten terug te dringen leidt tot de afbouw van de verzorgingsstaat en een oproep tot meer zelfredzaamheid van de burger. De term participatiesamenleving die vanuit de regering – via de mond van de koning – werd geïntroduceerd kreeg veel aandacht en werd uitgeroepen tot Woord van het Jaar 2013. Tevens kwam het op veel kritiek te staan. Vele zagen de participatiesamenleving als een verkapte bezuinigingsmaatregel. Het inzetten op een samenleving waarin eenieder op zijn eigen netwerk moet vertrouwen leidde tot onrust. Het werd gezien als een dekmantel die de uitkleding van de verzorgingsstaat moest verhullen. In dit artikel wordt de participatiesamenleving op het gebied van zorg en sociale zekerheid onder de loep genomen. Dit wordt gedaan vanuit het perspectief van de sociologische literatuur omtrent sociaal kapitaal. Daarna worden aanbevelingen gedaan voor een soepele transitie naar een maatschappij waarin de burger meer zelfvoorzienend is.

Zelfredzame burgers en een terugtredende overheid
Ondanks alle ophef over de participatiesamenleving is de inhoud van de term abstract en ongedefinieerd gebleven. Tijdens zijn Wibautlezing in 2013 merkte bijzonder hoogleraar Kim Putters terecht op dat de term in theorie kan appelleren aan vrijwel elke politieke ideologie: de invulling van de term hangt af van eenieders interpretatie. Voor de liberalen refereert het idee aan de eigen kracht van het individu en de individuele verantwoordelijkheid. Sociaaldemocraten zullen vooral het participeren benadrukken en uitkijken naar een samenleving waarin eenieder kan meedoen, ook wanneer er sprake is van hulpbehoevendheid. De christendemocraten zullen de charme inzien van de roep om naastenliefde en gemeenschapszin. Ergo, zolang de werkelijke invulling van de term participatiesamenleving vaag blijft, is het voor meerdere partijen en ideologieën een mogelijke oplossing voor de stijgende kosten van de verzorgingsstaat.[i]

Om een einde aan de ambiguïteit te maken, vroeg Arie Slob eind november vorig jaar aan de minister-president om de term uiteen te zetten. Begin april jongstleden kwam het antwoord in een brief aan de kamer. In krap drie A4’tjes zet premier Mark Rutte (2014) zijn idee voor een participatiesamenleving uiteen. Ten eerste wordt de aandacht gericht op meerdere maatschappelijke trends: Nederland bereikt een steeds hoger opleidingsniveau, burgers hebben meer communicatiemogelijkheden en maatschappelijke initiatieven – die (deels) kerntaken van de overheid overnemen – zijn in opkomst. Deze ontwikkelingen worden de hemel in geprezen en moeten het antwoord gaan bieden op een terugtredende overheid. Burgers zullen zelfredzaam zijn en hun eigen netwerk inzetten om zichzelf en anderen te helpen. Een voorbeeld uit het stuk betreft een zieke, oudere vrouw die verzorgd wordt door buurtbewoners via een WhatsApp-groepje. Actieve, zelfredzame, verbonden burgers zijn volgens Rutte de uitweg van een dure verzorgingsstaat naar een werkende participatiesamenleving. Deze visie staat haaks op de klassieke verzorgingsstaat, waarin zorg een taak is van de overheid waar iedere Nederlandse burger aanspraak op kan maken. Het welzijn van burgers wordt door de staat gegarandeerd en verzorging dient aangeboden te worden door professionals. In de participatiesamenleving horen burgers echter voor zichzelf en elkaar te zorgen en de overheid hoort slechts in te springen als laatste redmiddel. Bovendien wordt de professionele verzorging (deels) vervangen door de vrijwillige inzet van burgers (bijvoorbeeld door buren die de thuishulp vervangen). De mate van zorg en sociale zekerheid zal in de participatiesamenleving meer gaan berusten op het sociale netwerk van het individu.

Het tweede aandachtspunt in de brief aan de kamer is de opmerking dat overheidsbeleid soms (onbedoeld) maatschappelijke initiatieven in de kiem smoort of verdringt. De ‘klassieke hiërarchische verhoudingen’ leiden tot beleid dat maatschappelijk initiatief verdringt. De premier ziet graag dat de ruimte wordt geboden aan kracht van de burger en ziet de overheid graag haar bijdrage aan maatschappelijke voorzieningen verminderen. In de participatiesamenleving zal de burger volop gebruik maken van de hiaten die de overheid laat vallen in de zorg en het sociale welzijn. Hier wordt wederom uitgegaan van de zelfredzame burger die met haar netwerk de verminderde zorg vanuit de overheid kan compenseren. Een aanname in deze visie is dat de sociale structuur en het netwerk van burgers de gaten van een terugtredende overheid voldoende opvangen.[ii]

Sociaal kapitaal en ongelijkheid in zorg en welzijn
Sociale netwerken van individuen zijn veelvuldig bestudeerd in de sociologische literatuur. In de afgelopen decennia is een aanzienlijke literatuur opgebouwd over de uitwerking van sociaal kapitaal op de levensloop en het welzijn van individuen. Het begrip sociaal kapitaal kent vele vormen, maar kan alomvattend gedefinieerd worden als de mogelijkheid om voordelen te halen uit het lid zijn van een sociaal netwerk of sociale structuur. Het lid zijn van dit netwerk of structuur kan simpelweg voortkomen uit het behoren tot een gegoede familie, maar kan ook verkregen worden door normen en waarden te hebben of te vergaren die toegang bieden tot netwerken.[iii] De literatuur wijst erop dat individuen met een groot sociaal kapitaal een welvarendere levensloop (bijvoorbeeld een hogere opleiding of hoger salaris) hebben dan individuen die dit niet hebben. De ongelijkheid in sociaal kapitaal tussen individuen is verbonden met de ongelijkheid in welzijn tussen individuen.[iv] De literatuur over sociaal kapitaal bouwt voort op de klassieke theorie over kapitaal van Karl Marx, maar vervangt het klassenperspectief door een actorperspectief: waar Marx ongelijkheid in kapitaal beschrijft tussen klassen,[v] beschrijft de sociaal kapitaaltheorie ongelijkheid tussen individuen. Door de huidige geïndividualiseerde samenleving is het belangrijker geworden om ongelijkheid vanuit het individu te benaderen.[vi] Deze actorbena-dering is bruikbaarder om ongelijkheid binnen de huidige netwerksamenleving beter te begrijpen.[vii] De verzorgingsstaat heeft als een van haar uitgangspunten dat de burger altijd aanspraak moet kunnen maken op zorg en (sociaal) welzijn vanuit de staat. In het nieuwe wensbeeld van de participatiesamenleving zal deze zekerheid grotendeels wegvallen en komen te berusten op het sociale kapitaal van de burger. Wanneer een burger zorg- of hulpbehoevend is moet hij eerst zijn eigen netwerk inzetten om zorg of hulp te krijgen. Deze omschakeling heeft ten gevolge dat de ongelijkheid in sociaal kapitaal tussen individuen in meerdere mate wordt omgezet in ongelijkheid in sociale zekerheid en zorg tussen individuen. Mensen met weinig sociaal kapitaal zullen minder mogelijkheden hebben om hun netwerk te gebruiken om zorg en welzijn te vergaren dan mensen met veel sociaal kapitaal.

Om deze ongelijkheid zichtbaar te maken volgen hier een aantal voorbeelden van groepen individuen die negatieve effecten zullen ondervinden. De ontwikkeling van de communicatiesamenleving is zo rap gegaan dat de meeste ouderen in de samenleving niet toegerust zijn met de juiste vaardigheden om de huidige communicatiemiddelen te gebruiken. Ouderen in bejaardentehuizen zullen niet kunnen terugvallen op een WhatsApp- of Facebookgroep om hun netwerk in te schakelen en zijn afhankelijk van professionele verzorging. Ook immigranten zullen meer problemen krijgen met het vergaren van hulp en zorg via hun sociale netwerk. Mensen die recentelijk zijn neergestreken in een land hebben over het algemeen niet meteen een sociale structuur waarop zij kunnen terugvallen. Daarom zijn zij afhankelijk zijn van een zorgende overheid of een ander instituut dat kan helpen. Geestelijk en lichamelijk beperkten zijn in de huidige samenleving afhankelijk van familie en een bijspringende overheid. In een samenleving waar de zorg voor hen (deels) geregeld moet worden door vrijwilligers in plaats van professionals zal de druk op kapitaalarme families met geestelijk of lichamelijk beperkten toenemen. Families die economisch kapitaalkrachtig zijn, zullen hulp inkopen. De families met een groot sociaal kapitaal zullen hun netwerk inschakelen om antwoorden te vinden. Echter, families met zowel weinig sociaal als financieel kapitaal zullen voornamelijk de negatieve effecten ondervinden.

De verschuiving van een verzorgingsstaat naar een participatiesamenleving zal leiden tot ongelijkheid op het gebied van zorg en welzijn. Deze differentiatie zal voornamelijk slecht uitpakken voor zwakkere groepen individuen in de samenleving. Individuen zonder een divers netwerk en/of mogelijkheden tot het aanschaffen van betaalde hulp zullen bij een terugtredende overheid zwaar belast worden. De verzorgingsstaat is juist opgezet om het welzijn van burgers te garanderen, ongeacht hun toegang tot kapitaal. Ondanks alle mooie woorden omtrent de actieve, communicatief sterke burger zullen er voor de sociaal zwakkeren vangnetten moeten blijven zoals we die kennen in onze klassieke verzorgingsstaat. Maar er moeten toch andere manieren zijn waarop burgers meer verantwoordelijkheid kunnen nemen voor hun omgeving en meer mogelijkheden krijgen om zelf hulp en zorg te regelen, zonder dat de kapitaal arme burgers hieronder leiden?

Diverse sociale structuren en nieuwe verantwoordelijkheden
Om daadwerkelijk te komen tot een samenleving waarin eenieder voor zichzelf en anderen kan en wil zorgen moet alle individuen toegang hebben tot een divers sociaal netwerk. Het gaat om de optimalisering van toegang tot diverse netwerken voor ieder individu. De opmerking van premier Rutte dat er meer communicatiemogelijkheden zijn, heeft weinig van doen met de mate waarin individuen toegang hebben tot diverse netwerken. In een samenleving waar lager opgeleiden voornamelijk contacten onderhouden met andere lager opgeleiden (en hoger opgeleiden met hoger opgeleiden) is de toegang tot diverse netwerken laag. Van oudsher troffen verschillende lagen van de bevolking elkaar binnen de zuilen. Deze zuilen liggen inmiddels ver achter ons en de segregatie tussen hoger en lager opgeleiden lijkt een nieuwe scheidslijn te zijn voor onze samenleving. Om toegang tot diverse netwerken te creëren voor iedere burger, zullen maatschappelijke initiatieven binnen (nieuwe) sociale domeinen verder ontwikkeld moeten worden. Reeds bestaande domeinen die de mogelijkheid bieden voor diverse sociale structuren zijn vaak aanwezig op buurtniveau. Te noemen zijn: sportclubs en sportfaciliteiten, voedselvoorziening, (basis)scholen, groenvoorziening, buurthuizen en (verkeers)veiligheid. Vaak worden deze voorzieningen voornamelijk geregeld door de overheid en dragen burgers geen verantwoordelijkheid voor hun directe omgeving. Door de burger meer inspraak en uitvoerrecht te geven, komt er meer ruimte voor burgerinitiatief en verantwoordelijkheid. Hierbij dient opgemerkt te worden dat burgerinitiatief daadwerkelijk vanuit de burger moet komen. Het overnemen van gemeentelijke taken moet niet opgedrongen worden aan de burger. Voedselvoorziening is bij uitstek een goede optie om buurtbewoners te binden. Braakliggende grond moet makkelijker vrijgegeven worden door de gemeente om plaats te maken voor (tijdelijke) buurtmoestuinen. Voedsel is een basisbehoefte en bindt mensen van verschillende achtergronden. Door dit soort buurtinitiatieven te ondersteunen kan een sociale structuur ontstaan die meerdere mensen de toegang biedt tot een divers netwerk. Daarmee draagt het bij aan een transitie naar een samenleving waarin burgers meer verantwoordelijkheid kunnen nemen voor hun omgeving en de mogelijkheid krijgen om hulp en zorg meer via hun eigen netwerk te regelen.

Het opbouwen van sociale structuren waarin burgers de mogelijkheid hebben tot meer zelfvoorzienendheid kost tijd. Het roekeloos wegbezuinigen van overheidszorg zal niet betekenen dat er meteen nieuwe initiatieven ontstaan die de kerntaken van de overheid overnemen. Premier Rutte constateert correct dat er meer maatschappelijke initiatieven ontstaan omtrent zorg, maar dit betekent niet dat de overheid daarom kan stoppen met zorgen. Het zijn voornamelijk de ‘sterken’ die zichzelf organiseren. Ook het wijzen op de toegenomen verbondenheid via sociale media geeft geen reden tot terugtrekking van de overheid. Het toenemende gebruik van internet is een goede start naar meer verbondenheid, maar WhatsApp en Facebook zijn slechts hulpmiddelen om mensen te verbinden. Achter elke virtuele verbinding schuilt een empathische verbinding in de echte wereld. Mensen zorgen voor elkaar uit een gevoel van empathie. Om een oude, zieke buurvrouw te helpen kan een WhatsApp-groepje met de buurt heel handig zijn, maar de empathie om elkaar te helpen komt niet voort uit dat groepje. Bovendien starten maatschappelijke initiatieven niet met meer (virtuele) verbondenheid, maar met initiatief en een gedeelde noodzaak. Dit initiatief kan niet van bovenaf opgelegd worden, maar kan wel gefaciliteerd en aangewakkerd worden. Deze initiatieven ontstaan onder andere door burgers te betrekken bij zaken die hen direct aangaan. Vanuit gemeentes moet meer initiatief getoond worden om medezeggenschap en verantwoordelijkheden

over te dragen aan burgers. Grootschalige voorzieningen zoals de ouderenzorg of het onderwijs lijken momenteel ongeschikt en potentieel desastreus om over te dragen. Maar door te beginnen met kleinere projecten kan een begin gemaakt worden dat kan uitgroeien tot een sterke, diverse sociale structuur. Het gaat erom een samenleving te creëren waarin de toegang tot diverse sociale netwerken voor elk individu geoptimaliseerd wordt, teneinde het voor elk individu mogelijk te maken zelf zorg en sociaal welzijn te verschaffen en te ontvangen.

Sjoerd de Koning (1991) is masterstudent Human Geography aan de Radboud Universiteit en houdt zich bezig met duurzame transitie.


[i] K. Putters, De Verzorgingsstad. Tussen verzorgingsstaat en participatiesamenleving. Vijftiende Wibautlezig (23 november 2013), online beschikbaar via: http://degemeente.nl/sites/degemeente.nl/files/files/wibautl2013_def_web.pdf (geraadpleegd op 15 mei 2014).

[ii] M. Rutte, ‘Brief van de Minister-President over de participatiesamenleving n.a.v. het verzoek van de heer Slob’ (7 april 2014), online beschikbaar via: http://www.rijksoverheid.nl/ministeries/az/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2014/04/07/brief-van-de-minister-president-over-de-participatiesamenleving-n-a-v-het-vezoek-van-de-heer-slob.html (geraadpleegd op 23 mei 2014).

[iii] P. Bourdieu, ‘Le Capital Social: Notes Provisoires’, Actes de la Recherche en Sciences Sociales 3 (1980) 2-3; J.S. Coleman, ‘Social Capital in the Creation of Human Capital’, in: E.L. Lesser (ed.), Knowledge and Social Capital (New York 2000) 17-42; A. Portes, ‘Social Capital: Its Origins and Applications in Modern Sociology’, Annual Review of Sociology 22 (1998) 1-24.

[iv] I. Kwachi et al., ‘Social capital, income inequality, and mortality’, American Journal of Public Health 87 (1997) 1491-1498; Coleman, ‘Social Capital in the Creation of Human Capital’.

[v] K. Marx, Capital: A New Abridgement. (1867; Oxford 1995).

[vi] N. Lin, ‘Inequality in Social Capital’, Contemporary Sociology 29 (2000) 785-795.

[vii] A. Portes, ‘The Two Meanings of Social Capital’, Sociological Forum 15 (2000) 3.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>