Homofobie neemt toe: feit en fictie

Joris Blaauw

Homoseksualiteit is algemeen geaccepteerd in Nederland, althans dat is wat doorgaans gedacht wordt. De werkelijkheid is minder rooskleurig en bevat nog veel scherpe randjes waaraan geschaafd dient te worden. Het feit dat veel lesbische en homoseksuele stellen niet hand-in-hand durven te lopen en er nog ambtenaren bestaan die een gelijk geslachtelijk paar weigeren te huwen, is voor homobelangenorganisaties een reden om de politieke lobby nog niet te staken. Onlangs presenteerden de ministeries van Veiligheid en Justitie en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties dat het percentage homogerelateerde geweldsincidenten nationaal met 54 procent is toegenomen tussen 2009 en 2010[1]. Uiteraard zijn er methodische op- en aanmerkingen te plaatsen bij een dergelijk bericht; zo zijn er campagnes gestart die gericht zijn op aangiftebereidheid en wordt geweld met een discriminatoir karakter pas sinds kort als zodanig geregistreerd. Echter, het bericht past in een lange reeks geluiden over toenemend homogeweld en afnemende acceptatie. Binnen de Nederlandse homobeweging is het inmiddels gemeengoed om te spreken over deze zaken alsof ze door talloze onderzoeken worden ondersteund. In werkelijkheid laat nog geen enkel onderzoek onomstotelijk zien dat er in Nederland een trendbreuk is opgetreden van meer naar juist minder tolerantie. Hier zijn drie redenen voor te bedenken: allereerst kan er daadwerkelijk niets aan de hand zijn; Nederland staat nog steeds aan de top als het gaat om homo-emancipatie en daarin gaat niets veranderen. Ten tweede zou er een omkering van de trend gaande kunnen zijn, die door het gebruik van verouderde data nog niet is opgemerkt. Ten derde zou het zo kunnen zijn dat de algemeen tolerante houding van de Nederlander al jarenlang overdreven positief is uitgelicht. In dit korte essay wordt gezocht naar het antwoord op de vraag of het recent gerezen idee dat de acceptatie van lesbische vrouwen, homoseksuele mannen, biseksuelen en transgenders, kortweg LHBT’s, aan het afnemen is, of dat deze ‘waanbeelden’ voortkomen uit een door de media aangezwengelde hysterie. Vervolgens zal worden ingegaan op de vraag welke handelingen nodig zijn om de acceptatie van LHBT’s te vergroten en of de stappen die de overheid neemt de juiste zijn.

Land van andersdenkenden
Nederlanders hebben van oudsher de naam dat zij een tolerante houding aannemen jegens andersdenkenden. Al in de zeventiende eeuw waren joden en katholieken welkom in het welvarende Nederland. De Calvinistische volksaard, die vooral oog had voor praktische nut en noodzaak, zou daarvoor verantwoordelijk zijn geweest. De werkelijkheid bleek uiteraard weerbarstiger. Joden waren ‘welkom’ in Nederland, maar mochten geen deel uitmaken van gilden en vonden derhalve geen baan. Katholieken beleden hun geloof over het algemeen in het verborgene. Acceptatie bleek geen acceptatie, maar tolerantie: het door de vingers zien van afwijkingen. Is het nu anders?

Nederland is wel degelijk voorloper op het gebied van rechten voor LHBT’s. Zo was Nederland het eerste land ter wereld dat paren van het gelijke geslacht toestond te huwen en is de gelijkberechting van LHBT’s bijna nergens zo ver als hier. Alleen Spanje schiet Nederland voorbij, aangezien daar werkelijk alle fiscale en juridische verschillen tussen hetero’s en homo’s verdwenen zijn. Slechts een aantal landen is het voorbeeld van Nederland gevolgd.[2] Dit cijfer ligt schrikbarend dicht bij het aantal landen waar homoseksualiteit met de dood bestraft kan worden.[3]

Internationaal vergelijkbare cijfers laten zien dat Nederland ook hoog scoort als het gaat om acceptatie van homoseksualiteit. In de World Value Survey scoort Nederland steevast het hoogst op de vraag: how justifiable is homosexuality? Nederlandse respondenten scoren gemiddeld een 7,8. Het gemiddelde in vergelijkbare landen ligt op ongeveer 6,9. Ook het homohuwelijk en adoptie door paren van het gelijke geslacht kunnen op veel steun van de Nederlandse bevolking rekenen. De European Social Survey laat zien dat Nederland, samen met Zweden, het hoogste scoort. Het homohuwelijk rekent op steun van ruim 70 procent van de samenleving en het adoptievraagstuk krijgt van 56 procent van de ondervraagden een positief antwoord.

Deze cijfers ondersteunen het verhaal van Nederland als internationale voorloper, maar stroken in het geheel niet met de recente berichtgeving over toenemend homogeweld en toenemende gevoelens van angst en onveiligheid onder LHBT’s. Deze discrepantie heeft deels te maken met de tekortkomingen van genoemde onderzoeken. Zowel de World Value Survey als de European Social Survey bevragen algemene houdingen ten aanzien van homoseksualiteit. Allereerst bestaat er een kloof tussen houdingen en gedragingen. Respondenten beantwoorden vragen bijvoorbeeld sociaal wenselijk. Ten tweede wordt er geen rekening gehouden met de verschillende dimensies van homofobie. De onderzoekers Aldofsen, Iedema en Keuzenkamp[4] vinden, in navolging van Van de Meerendonk[5] en Yang[6], vijf dimensies van homofobie. Deze dimensies verschillen vooral in graden van nabijheid. Zo vallen vragen over homoseksualiteit in het algemeen in de categorie ‘general accepation of homosexuality’ en vragen over gelijke rechten in de gelijknamige categorie, daarnaast bestaan er echter ook nog categorieën die vragen over ‘homoseksuality at close quarters’ of ‘non-heterosexual behaviour in the public domain’ bevatten. In tegenstelling tot de meer algemene dimensies wordt op deze laatste categorieën veel lager gescoord. Weliswaar blijven de gangbare verklaringsmechanismen overeind, maar het negatieve effect van bijvoorbeeld opleidingsniveau op homofobie wordt aanzienlijk zwakker. Tot slot is de validiteit van de vragen in deze internationale surveys twijfelachtig. Homoseksualiteit in Nederland wordt waarschijnlijk anders bezien dan homoseksualiteit in Tanzania. De identiteitsbeleving die in Nederland wordt toegedicht aan homoseksualiteit is in veel landen in de wereld afwezig. Hierdoor rijst de legitieme vraag wat een wereldwijde rangschikking in homofobie feitelijk zegt. Hetzelfde geldt overigens voor longitudinaal onderzoek. Door de jaren heen verandert de betekenis van een begrip. Iedere vergelijking over de tijd die daar geen rekening mee houdt, gaat mank.

De beantwoording van de vraag of de acceptatie van LHBT’s tanende is, wordt hierdoor extra bemoeilijkt. In de jaren 1980 waren homoseksuelen mannen die leefden op de grenzen van de samenleving; ze gingen zich te buiten aan seks en drugs, waren artistiek en waren vooral alles wat de burgerlijke heterobevolking niet was. Tegenwoordig kunnen ook homoseksuelen met elkaar in het huwelijksbootje treden, waarmee de spanning van de jaren 1980  definitief is verdwenen.[7] Deze, wellicht ongenuanceerde, definities zitten onbewust in iedereen ingebakken en maakt derhalve een vergelijking over de tijd vrij onzinnig.

De vraag of de acceptatie van homoseksuelen tanende is, is lastig te beantwoorden. Uit onderzoek blijkt zelfs het tegenovergestelde. Of de gehanteerde onderzoekstechnieken valide zijn om vergelijkingen te maken, is echter de vraag. Een tweede onderwerp in de recent gestarte discussie is de toename van geweld. In hoeverre er daadwerkelijk sprake is van een toename is lastig vast te stellen. Zowel campagnes gericht op aangiftebereidheid, als een nieuwe wijze van registeren maakt een vergelijking over de tijd ingewikkeld. Echter, uit lokale registraties van anti-discriminatievoorzieningen blijkt wel degelijk een stijging van geweld en discriminatie.[8] Of dit beeld representatief is voor heel Nederland is echter maar de vraag. De aandacht voor het onderwerp is er nu en dat maakt dat de cijfers de komende tijd meer accuraat verzameld zullen gaan worden. Over enkele jaren zal duidelijk worden of het wegpesten van homostellen en gay bashing in de grote steden op zichzelf staande incidenten zijn, of behoren tot een nieuwe trend. Tot slot kan worden opgemerkt dat verschillende landelijke en lokale onderzoeken laten zien dat LHBT’s zich onveiliger zijn gaan voelen.[9] Hoewel deze gevoelens uiteraard deels samenhangen met berichtgeving op televisie, geven ook veel LHBT’s aan (indirect) te maken hebben gehad met homofobe incidenten.

Kort gezegd: in het algemeen is homoseksualiteit redelijk geaccepteerd, maar wanneer het dichterbij komt, blijkt hoe dun het laagje sociale acceptatie werkelijk is. De vraag die dan rest is; wat is er nodig om de positie van LHBT’s te verbeteren?

Gericht op de wortels
Homo-emancipatie moet zich richten op de onderliggende structuren in de samenleving. Symptoombestrijding moet worden vermeden. Ergens in het denken van de mens wordt een onderscheid gemaakt tussen algemene morele opvattingen en meer specifieke morele opvattingen. Bogardus constateerde dit al in 1926.[10] De afstand tot ‘het object’ bepaalt de houding. Directe confrontatie wekt meer gevoelens van ongenoegen op dan wanneer het onderwerp in zijn algemeenheid wordt besproken. Juist daarom is voorlichting door ervaringsdeskundigen op scholen zo belangrijk. Zij nemen vooroordelen weg, beschrijven het proces van zelfacceptatie en coming out, en kunnen uit persoonlijke ervaring vertellen hoe het is om lesbisch, homo, bi of transgender te zijn in Nederland anno 2011. Nederland loopt voorop waar het die preventieve activiteiten betreft.[11] Nergens ter wereld wordt zo openlijk gesproken over seksualiteit in het algemeen en homoseksualiteit in het bijzonder. Deze voorlichtingen vinden onder andere plaats op onderwijsinstellingen, in buurtcentra, bij de scouting, op het werk. Toch komt maar zo’n 25 procent van de Nederlandse jongeren in aanraking met voorlichting.[12] Dit geringe relatieve aantal is zorgelijk wanneer men weet hoe groot het effect is van voorlichting. In de gemeente Nijmegen loopt al ruim vijftien jaar het traject ‘voortgezet onderwijs en homoseksualiteit’. Middels een convenant hebben scholen zich verplicht homoseksualiteit te integreren in het lesprogramma. Uit cijfers van de GGD blijkt dat leerlingen op scholen die zich intensiever bezig houden het onderwerp, significant positiever zijn over LHBT’s. Een oplettende lezer zal opmerken dat deze scholen wellicht een hoger aanvangsniveau hadden, maar daar is controle voor uitgevoerd. De GGD toonde zowel een direct effect als een interacterend effect aan. De voorlichtingsprogramma’s dragen op twee manieren bij aan een veiligere school: enerzijds kweken ze begrip bij de heteroseksuele, wellicht homofobe, leerling en anderzijds laten ze aan de LHBT-leerling zien dat ‘er licht schijnt aan het einde van de tunnel’.

Naast bewustwording is zichtbaarheid bijzonder belangrijk. Zonder zichtbaarheid is er geen sprake van emancipatie. Men kan twijfelen over het bereik en succes van de Amsterdamse Canal Parade, maar als LHBT’s niet zichtbaar zijn in de samenleving, is er niets te emanciperen.

Wat de overheid (niet) doet
Cijfers en onderzoeken tonen het belang van voorlichting aan. Het is juist daarom dat belangenorganisatie COC Nederland zich hard maakt voor verplichte voorlichting op scholen. Het huidige kabinet wil daar niet aan beginnen. De minister onderstreept het belang van de voorlichting, maar acht het niet wenselijk scholen te verplichten deze voorlichting aan te bieden. De minister lijkt bang te zijn dat een dergelijke regeling indruist tegen de vrijheid van onderwijs. Een school met de bijbel wil uiteraard geen voorlichting waarin leerlingen te horen krijgen dat homoseksualiteit geen afwijking is.[13] Juist om die reden is voorlichting van belang. Daarnaast bieden de christelijke homo-organisaties een eigen lesmethode aan.[14]

Het kabinet zet echter in op veiligheid en bestaande structuren.[15] Veiligheid is een typisch voorbeeld van symptoombestrijding. Zolang de onderliggende structuren niet worden aangepakt, blijven mensen LHBT’s als afwijkend zien en zullen er gewelddadigheden blijven plaatsvinden. Uiteraard moeten geweldplegers worden aangepakt, maar zwaarder straffen heeft nauwelijks effect. Straffen werkt pas als de dader snel gepakt en snel veroordeeld wordt en dan nog is het afschrikwekkende effect minimaal.[16] Beleid dat zich op de eerste plaats richt op veiligheid en strafverzwaring, schiet duidelijk zijn doel voorbij. Verder maakt het kabinet weinig harde beslissingen. De minister wil de structuur versterken (door het aantal subsidies te verminderen) en de verantwoordelijk bij de mensen zelf leggen.

Deze pro-actieve empowerment strategie klinkt mooi en werkt in praktijk soms ook erg goed. Op veel scholen zijn tegenwoordig Gay & Straight Allianties. In deze allianties werken homo- en heteroleerlingen samen om het klimaat op hun school te verbeteren. Zo’n opzet werkt, mits de school een veilige omgeving faciliteert. In de sport en op het werk zijn de allianties eveneens in opkomst en ook daar geldt dat het bestuur van de club of de werkgever moet zorgen voor een situatie waarin de emancipatie veilig kan verlopen.

Wat opvallend is aan de hoofdlijnenbrief van het kabinet, is de toon. Het kabinet lijkt te kiezen voor heteronormativiteit. Zo stelt de brief dat jonge homo’s gesteund moeten worden in het wegnemen van vooroordelen. Jonge homo’s zouden zich storen aan de heersende stereotypen en deze willen vervangen door een “gewoon beeld van de homopopulatie”. De eerste vraag die rijst, is wat een ‘gewoon beeld’ is en wie dat beeld bepaalt. Ten tweede rijst de legitieme vraag waarom zo’n eenzijdig beeld van homoseksualiteit gepropageerd moet worden. Waarom maakt het kabinet zich niet hard om homoseksualiteit in al haar diversiteit geaccepteerd te krijgen?

Alvorens deze vragen te beantwoorden moet het kabinet nadenken over wat het echt wil. Kiest het voor halfslachtige oplossingen die vooral gericht zijn op symptoombestrijding? Of kiest het voor een aanpak die weliswaar meer tijd en energie vergt, maar die op lange termijn blijvend effect sorteert?

Joris Blaauw (1987) volgt de Master Social and Cultural Sciences aan de Radboud Universiteit Nijmegen en is voorzitter van COC Nijmegen.



[1] Kamerbrief Ministerie van Veiligheid en Justitie: Aanscherping bestrijding discriminatie, juli 2011; W. de Wit, & E. Sombekke, Poldis 2010, criminaliteitsbeeld discriminatie. Het landelijk ExpertiseCentrum Diversiteit van de politie (2011). Online raadpleegbaar: http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/rapporten/2011/07/08/poldis-2010-criminaliteitsbeeld-discriminatie.html (geraadpleegd 25 juni 2011).

[2] In chronologische volgorde van openstellen: België, Spanje, Canada, Zuid-Afrika, Noorwegen, Zweden, Portugal, IJsland en Argentinië (www.ilga.org, geraadpleegd op 1 juli 2011).

[3] Iran, Jemen, Mauritanië, Saoedi-Aurabië, Soedan en de Verenigde Arabische Emiraten (www.ilga.org, geraadpleegd op 1 juli 2011).

[4] A. Adolfsen, J. Iedema & S. Keuzenkamp ‘Multiple Dimensions of Attitudes about Homosexuality: Development of a Multifaceted Scale Measuring Attitudes toward Homosexuality’, Journal of Homosexuality, 57 (2010), 1237-1257.

[5] B. van de Meerendonk, Dutch Attitudes Toward Homosexuality 1966-2000: Questions, Scores and Trends. (2005). Radboud University Nijmegen. Het betreft een ongepubliceerde samenvatting van onderzoeken en vragenlijsten in de genoemde periode.

[6] A.S. Yang, ‘The polls-trends. Attitudes Toward Homosexuality’, Public Opinion Quarterly, 61 (2005) 477-507.

[7] D.M. Halperin & V. Traub, Gay Shame (Chicago 2006).

[8] www.art1.nl Artikel 1 is de landelijke vereniging voor anti-discriminatiebureaus. (geraadpleegd op 28 juni 2011).

[9] Hand in Hand, veiligheidsnota Nijmegen 2008/2009.

[10] E.S. Borgardus, ‘Social distance in the city’, Proceedings and Publications of the American Sociological Society, 20 (1926) 40-46.

[11] M. Heemelaar, Seksuele vorming en voorlichting (Houten 2008).

[12] Zie onder andere: P. Dankmeijer, De organisatie van voorlichtingen over homoseksualiteit in Nederland. Verslag van een landelijk enquête over productformulering (Amsterdam 1994); Inspectie van het onderwijs, Weerbaar en divers. Een onderzoek naar seksuele diversiteit en weerbaarheid in het onderwijs (Utrecht 2009); M. Schouten & J. Blaauw , De LHBT voorlichtersgroepen van Nederland. Rapport 2010 in kader van het project “Meer voorlichters, scholen, effect en inbedding”. (nog niet gepubliceerd)

[13] Er zijn geen wereldwijde instanties meer die homoseksualiteit aanmerken als ziekte of afwijking. De Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties heeft onlangs zelfs een resolutie aangenomen tegen de schending van mensenrechten van LHBT’s.

[14] www.homoindeklas.nl (geraadpleegd op 4 juli 2011).

[15] Hoofdlijnenbrief Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen: Hoofdlijnen emancipatiebeleid: vrouwen- en homo-emancipatie 2015, juni 2011.

[16] E Onraet, Streng, maar ook efficiënt?: Het effect van straffen op normen en gedrag in sociale dilemma’s (Gent 2008).

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>