Het einde van het postmodernisme?

Jordy Geerlings

Wat is kennis? Wat is waarheid? Is er een antwoord op de vraag naar de zin van het leven? Hoe verhoudt dit tijdperk zich tot het verleden, en wat kan men van de toekomst verwachten? Dit zijn de fundamentele vragen die de filosofie zich stelt. Lang bestond de hoop dat met de vooruitgang van de wetenschap de mensheid een steeds hoger niveau van intellectuele volwassenheid zou bereiken, waardoor men ook lange tijd heeft geloofd dat er uiteindelijk een definitief antwoord zou komen op deze vragen. Deze hoop wordt zelfs gezien als de voornaamste boodschap van de Verlichting en de essentiële belofte van de moderniteit. Toch is het vertrouwen in dit ‘project’ ondanks enorme vooruitgang in de wetenschap ingestort. Volgens de huidige tijdgeest is er geen waarheid of betrouwbare kennis, omdat beiden slechts illusoire constructies blijven, en de zin van het leven nooit achterhaald kan worden. Alles blijkt afhankelijk te zijn van persoonlijk perspectief, maar zelfs de vorming van dat perspectief blijkt onderhevig aan onbeheersbare krachten. Ondertussen blijkt plan noch regelmatigheid ten grondslag te liggen aan de ontwikkeling van de geschiedenis, de wetenschap of de moraal. Alle grondslagen zijn weggevallen en niets kan nog gerechtvaardigd worden. De mens is op zichzelf aangewezen in een chaotische wereld en anything goes.

Jean-François Lyotard muntte in 1989 de term ‘Condition postmoderne’ voor deze toestand en sindsdien is de indruk gegroeid dat deze postmoderne toestand de laatste historische fase is die de westerse wereld zal meemaken. Men spreekt van ‘laat-kapitalische samenleving’, the end of history of bezint zich op de Untergang des Abendlandes. Ook in de filosofie heerst het gevoel dat men op een eindpunt is aangekomen van waaraf nog slechts teruggekeken kan worden, omdat nieuwe perspectieven voor het denken uit lijken te blijven. Er lijkt dus een groeiende consensus te zijn dat de westerse cultuur haar laatste fase heeft bereikt. Dit besef gaat vaak gepaard met sterk pessimistische gevoelens, die vooral verwijzen naar het geloof dat na deze fase slechts decadentie en ondergang wachten. Men spreekt zelfs van een ‘postmodern fin de siècle’ mentaliteit: het gaat om een tijdsbeeld dat zich bevestigd ziet in allerlei huidige problemen en angsten, zoals de instorting van het multiculturalisme en de dreigende overvleugeling van het Westen door nieuwe politiek-economische supermachten.

Maar hoe realistisch is deze mentaliteit? Het zou bijzonder interessant zijn om te toetsen in hoeverre deze denktrant gezien kan worden als een adequate analyse van het huidige tijdsgewricht, maar dat is bijna zeker ondoenlijk. Wel is het mogelijk om te onderzoeken hoe dit denken op intellectueel niveau tot stand is gekomen en in hoeverre het nog stand en steek houdt, vooral wat betreft de claim dat het werkelijk onmogelijk is om verder te denken dan het postmodernisme. De stand van de huidige filosofie geeft een aantal interessante antwoorden hierop, maar eerst is het nodig om de ontwikkeling van de postmoderne filosofie te schetsen.

Drie afbraakmomenten
Sinds het begin van de twintigste eeuw heeft zich in het westerse denken een curieuze serie ‘afbraakmomenten’ voorgedaan, waarop de pijlers van oude tradities zijn weggevallen of voor dood zijn verklaard. De wortels van deze ontwikkelingen liggen weliswaar veel dieper, maar het is niet geheel onverdedigbaar om Friedrich Nietzsche aan het begin van deze beweging te zien. Zijn aankondiging van de dood van God aan het einde van de negentiende eeuw zette een kritische beweging in gang die zou leiden tot een revolutie in de westerse filosofie. Voor Nietzsche was de dood van God niet slechts een programmatische stelling, het was ook een constatering dat het theologische denken daadwerkelijk aan haar einde was gekomen. De mens zou weldra moeten leren leven in een wereld waarin God geen referentiepunt meer was.

Niet al te lang daarna volgde Martin Heideggers voorgenomen ‘destructie’ van de westerse metafysica. Dit had ook grote gevolgen voor de filosofie. In het Zwitserse stadje Davos ging Heidegger de confrontatie aan met een van de laatste incarnaties van de westerse metafysische traditie, het neo-kantianisme, met een grote overwinning als gevolg.[1] Hij rekende hiermee af met een van de pijlers van de westerse filosofie die met Kant tot haar sterkste uitdrukking was gekomen: het idee dat de menselijke geest een boven de werkelijkheid verheven subject is, die tracht via haar redelijke vermogens om de (objectieve) werkelijkheid te begrijpen en vrij is in haar verhouding tot die werkelijkheid omdat zij niet onderhevig is aan natuurwetten. Volgens Heidegger leidden deze opvattingen tot een eenzijdig begrip van het Zijn, dat vooral gericht was op het blootleggen en instrumentaliseren ervan. Een zelfstandig en boven alles verheven subject zou de betekenis van zijn bestaan en van het Zijn zelf moeten uitvinden, hetgeen uiteindelijk zou leiden tot volstrekte zinloosheid.[2]

De dood van God en de opkomst van Heidegger betekenden een revolutie in de filosofie, die zich in Europa sterk liet gelden. Het effect hiervan werd nog eens versterkt door de impact van de relativiteitstheorie, waarin een stabiele greep op de werkelijkheid leek te verdwijnen, en de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog, waardoor het ‘oude denken’ definitief failliet leek. Het besef ontstond dat waarheid, de aard van kennis, de fundamenten van de moraal en de betekenis van het menselijke leven moesten worden ‘omgedacht’. Hieruit ontstond een kritische impuls die zou leiden tot het derde afbraakmoment: dat van de taalkunde. Men verloor stapsgewijs het vertrouwen in het vermogen van de taal om de werkelijkheid te beschrijven. Sterker nog, taal werd steeds meer een instrument van de macht, dat de werkelijkheid vormde en vervormde. Michel Foucault liet zien dat de mens in zijn begrip van zichzelf en de wereld werd beheerst door taalstructuren en kennisregels, waaraan geen ontsnappen mogelijk leek. Volgens Gilles Deleuze, Felix Guattari en Roland Barthes bleken echter ook deze taalstructuren instabiel: taal bleek oneindig vervormbaar en daarmee ook de menselijke greep op de  op een gedeelde, objectieve werkelijkheid. Men kon niet meer spreken van een auteur die zijn eigen visie op de wereld vormt en deze vervolgens ongeschonden aan zijn lezer kan overdragen. Na de dood van God en de metafysica sneuvelde nu ook de auteur.

Het derde afbraakmoment wordt vaak beschreven als de opkomst van het postmodernisme, oftewel de denkbeweging die de voorgaande afbraakmomenten verstevigt en zodoende het einde van het moderne denken bewerkstelligt. Filosofen die zichzelf tot deze beweging rekenen hebben met het woordje ‘post’ altijd blijk gegeven van een duidelijk historisch zelfbewustzijn. Dit bewustzijn bestond aanvankelijk vooral uit de notie dat men voorbij de moderne denken was gegaan, maar werd geleidelijk ook aangevuld met de claim dat een nieuw historisch tijdperk zich had aangediend: de postmoderniteit.  Dit tijdperk was het einde van de moderne filosofie, maar parallel daaraan ook van de moderne samenleving onder andere omdat deze niet meer functioneerde volgens de logica van de nationale eenheidsstaat. Volgens Lyotard kenmerkte dit tijdperk zich door het failliet van de grote metadiscoursen, zoals het standaardverhaal over de vooruitgang van de wetenschap en het idee dat de menselijke beschaving in het algemeen zich steeds verder ontwikkelde naar vervolmaking. De literatuurtheoreticus Fredric Jameson verklaarde het postmodernisme als de culturele logica van het late kapitalisme, waarmee hij de huidige filosofie verbond met een economische toestand waarin concrete producten steeds meer werden verdrongen door de consumptie van symbolen, verhalen en kant-en-klaar-identiteiten.

Vanaf dat punt trok men al snel de conclusie dat vooruitgang an sich ondenkbaar was geworden. De condition postmoderne ontpopte zich tot een post-histoire en buiten Francis Fukuyama verbonden slechts weinigen dit eindpunt van de westerse beschaving met het triomfalistische geloof dat de perfectie was bereikt. Eerder verbreidde zich een gevoel van aftakeling en decadentie. Zelfs de filosofie kon niet meer verder tot ontwikkeling gebracht worden. Het paradigma van Heidegger leek onoverwinnelijk op ontologisch gebied en de postmoderne taalfilosofie had de mogelijkheid van betrouwbare kennis ondergraven. De wetenschap en de universiteit stonden hiermee in de ogen van velen op wankele, uit de hoogmoed van de moderniteit stammende grondvesten die bekritiseerd moesten worden, zodat een open, emanciperende vorm van wetenschap zou ontstaan. De wetenschap met hoofdletter ‘W’ werd tussen haakjes gezet.

Een tijd lang leek het postmoderne paradigma onoverwinnelijk, zowel binnen de geesteswetenschappen als in de bredere context van de tijdgeest. Het radicaliseerde ook: de taal en de onderzoekende houding van de wetenschappen werden gezien als uitingen van macht die niet alleen het Zijn of de werkelijkheid geweld aan doen, maar ook macht hebben over de identiteit van dingen in de wereld, zelfs over de erkenning van hun bestaan. Zo was ‘de mens’ geen biologisch gegeven, maar een geconstrueerd idee, alsook de notie van een ‘ik.’ Het idee dat een mens autonoom vorm zou kunnen geven aan een eigen identiteit werd verworpen. Eigenlijk werd de hele sociaal-culturele wereld onderhevig geacht aan de macht van discours en episteme. Hoewel poststructuralisten deze machtsstructuren instabieler achtten dan structuralisten, was het geloof in het menselijke vermogen om zich los te vechten van deze machten vrijwel geheel opgegeven.[3] Aan de filosofie de taak om via de kritiek van de macht (deconstructie) kleine mogelijkheden en momenten van vrijheid te lokaliseren.

Dit was een radicale stap in het postmoderne denken. De grote kritiek richtte zich nu op het ‘project van de Verlichting’. Dit project  werd gezien als het dogmatische geloof in het vermogen van universele rede (nu begrepen als positivistische universele wetenschap) om tot perfecte kennis van de wereld te komen, om via technologie vooruitgang te bereiken en om te functioneren als de basis voor de moraal. Postmoderne denkers hebben dit project geïdentificeerd als één van de hoofdoorzaken van de grote schaal waarop verwetenschappelijkte overheden en samenlevingen macht uitoefenen over de mensheid. Het leek erop dat men was overgeleverd aan de ongebreidelde en steeds universeler wordende onderdrukking, terwijl de mensheid zelf steeds verder verdeeld raakte. Vanwege de ondermijning van universele waarheden, rede en rechten was het niet meer mogelijk een universele moraal te formuleren of een gezamenlijke utopie te formuleren die als het richtpunt van politieke actie kon functioneren. Consensus was niet meer mogelijk aangezien het zoeken naar consensus was zelf een illegitieme machtsgreep was.

Franse filosofie vanaf de jaren 1980
Voor lange tijd leek het paradigma van de postmoderne filosofie oppermachtig. In de geesteswetenschappen leidde het tot aandacht voor ‘alteriteit’, oftewel tot een historische zoektocht naar dat wat dominante discoursen door de tijd heen hadden onderdrukt of verzwegen. Het leek ook moeilijk om alternatieven te bedenken voor de fundamentele ontologische en epistemologische theorie van de postmoderne filosofie. De kritische beweging die Heidegger had ingezet, leidde tot ondermijning van de fundamenten van de moderne filosofie. Men was aangekomen op een nihilistisch punt van waaruit men niet slaagde om nieuwe denkwijzen te formuleren die niet terug zouden vallen in oude fouten. Vooral in de westerse geesteswetenschappen en filosofie heeft deze sfeer lang gezorgd voor de notie dat de postmoderniteit definitief was.

Toch is er in de Franse filosofie sinds de jaren 1980 sprake van een tegenbeweging die met succes heeft gebroken met dit paradigma en die poogt om verder te denken dan het postmodernisme. In 1987 kondigde Peter Dews aan dat ‘poststructuralism can no longer be considered a living force in France itself.’ [4] Een van de belangrijkste momenten in deze tegenbeweging was de publicatie van Pensée 68. Un essai sur l’antihumanisme contemporain.[5] Ferry achtte de filosofie van de generatie van 68 als een ‘overdreven herhaling van de Duitse filosofie’ en proclameerde als alternatief een ‘tweede humanisme.’ Dit hernieuwde humanisme bestaat uit een moraal van de liefde waarin transcendentie wordt verstaan als het vermogen van de mens om anderen in te sluiten in zijn morele wereld.[6]  In zijn grote geschiedenis van de filosofie der soixante-huitards bevestigt Julien Bourg deze nieuwe hang naar een ethiek, die de lege ruimte die door de filosofie was achtergelaten moest opvullen. Dit is volgens hem niet verbazend. Nadat de kritische filosofie traditionele ideeën van subjectiviteit en moraal had ondermijnd, moest er wel een herbezinning komen op zulke zaken als as omgang tussen mensen, emancipatie, gender en seksualiteit.[7]

In veel gevallen heeft dit een herwaardering van de Verlichting betekend. Peter Dews zag in de Franse filosofie al snel een ‘terugkeer van Kant’ en dan vooral van diens universalistische ethische principes.[8] Tzvetan Todorov publiceerde in 2006 een verdediging van de Verlichting die een internationale bestseller is geworden onder de titel In Defence of  Enlightenment. Todorov verdedigt de idealen van het secularisme, de individuele autonomie en het universalisme die hij centraal acht aan het project van de Verlichting.[9] Todorov, Luc Ferry en een aantal andere geëngageerde intellectuelen benadrukken het belang van een universalistische moraal en droits de l’homme waaruit een eigenaardig vertrouwen lijkt te spreken in de herleving van een bijna Kantiaans aandoend individu: autonoom, kosmopolitisch en vasthoudend aan een niet per se links ingevuld vertrouwen in de mogelijkheid van een multicultureel samenleven.

Voorbij het postmodernisme
De omslag in de Franse filosofie loopt parallel aan de aanzienlijke invloed van Jürgen Habermas, die op vergelijkbare wijze probeert de erfenis van het project van de Verlichting door een intersubjectieve, insluitende moraal vorm te geven. Deze omslag is weliswaar nog lang niet totaal: het postmodernisme leeft nog voort in de menswetenschappen, zoals de blijvende invloed van Georges Bataille, Nietzsche, Heidegger en Jameson laat zien. Toch is het waarschijnlijk dat de omslag in de filosofie definitief zal zijn. Het postmodernisme loopt op haar einde, en dit is niet alleen omdat de nieuwe generatie van filosofen een hersteld vertrouwen heeft in de subjectiviteit, de mogelijkheid van dialoog, de pragmatische moraal en de stabilisering van betekenis in taalgebruik. Er is namelijk een diepere reden voor de omslag, die te maken heeft met de verhouding die het postmodernisme noodzakelijkerwijs inneemt ten opzichte van de moderniteit en de Verlichting. De kritiek van het postmodernisme aan het adres van de Verlichting, en de kritische, soms afbrekende beweging van de naoorlogse filosofie in het algemeen aan de hele westerse denktraditie kan zelf niet buiten de termen van die denktraditie. De moderne en de postmoderne filosofie delen namelijk belangrijke idealen, waaronder de notie van vrijheid als autonomie en onbepaaldheid. Het verschil is dat het postmodernisme twijfelt aan het vermogen van de moderne filosofie – en in sommige gevallen welke filosofie dan ook – om deze idealen te realiseren. In elk geval blijft die vrijheid een ideaal. Zie bijvoorbeeld dit tekenende citaat van Foucault uit een debat met Noam Chomsky in 1971:

En het lijkt mij dat de huidige politieke taak in een samenleving zoals de onze bestaat uit het bekritiseren van het spel der instituties die het meest neutraal en onafhankelijk lijken, hun te bekritiseren en aan te vallen, op zo’n manier dat het politieke geweld dat zich hierin verborgen voordoet tevoorschijn komt, zodat wij ertegen kunnen vechten. Als men direct het profiel van de ideale samenleving van de toekomst zoekt en definieert, zonder de politieke geweldsverhoudingen die zich voordoen te bekritiseren, loopt men het risico dat deze verhoudingen zich verhouden, zelfs in samenlevingsvormen die zo puur en nobel schijnen als het anarchistische syndicalisme.[10]

Men moet zich afvragen in de naam waarvan deze strijd tegen machtsverhoudingen nodig is en het antwoord op die vraag kan niets anders zijn dan een of andere vorm van menselijke vrijheid die niet bepaald wordt door machtsverhoudingen. De nieuwe generatie denkers gelooft nu dat het postmodernisme dit ideaal steeds impliciet heeft uitgedragen, maar onvoldoende gerealiseerd. Er worden nu dus nieuwe antwoorden geformuleerd op de vraag hoe deze idealen kunnen worden gerealiseerd. De recent uitgebrachte essaybundel De quoi l’avenir intellectuel sera-t-il fait? is een mooi voorbeeld.[11] Een aantal van de vooraanstaande jonge denkers die zijn uitgenodigd hieraan bij te dragen probeert het postmodernisme te neutraliseren, compromissen te sluiten of het op dialectische wijze mee te nemen in een volgend stadium van het denken, terwijl anderen gebruik maken van het huidige intellectuele vacuüm om geheel nieuwe wegen in te slaan.

Jürgen Habermas gelooft dat het postmodernisme een kritisch-conservatief moment is geweest in de ontwikkeling van de moderniteit,[12] een overdreven reactie op de problemen die de modernisering produceerde (de greep van de economie en bureaucratie op het dagelijks leven, etc.). Hij lijkt gelijk te krijgen: het postmodernisme als intellectuele stroming verliest invloed en het moderne, technologische leven gaat door. De fluïditeit die in het huidige filosofische denken bestaat, doet echter vermoeden dat wat de filosofie betreft een nieuw tijdperk is aangebroken. Dit is geen postmodern tijdperk, maar wel een tijdperk dat voorbij de moderniteit is. We leven in interessante tijden.

Jordy Geerlings (1988) volgt de onderzoeksmaster Historische Wetenschappen aan de Radboud Universiteit Nijmegen en is student-assistent bij het Onderzoeksinstituut voor Geschiedenis en Cultuur van de Universiteit Utrecht.



[1] P. Gordon, Continental Divide: Heidegger, Cassirer, Davos (Londen 2010) 77.

[2] S. Geroulanos, An Atheism that Is Not Humanist Emerges in Modern France (Stanford 2010) 145-165.

[3] S. Newman, From Bakunin to Lacan: Anti-Authoritarianism and the Dislocation of Power (Londen 2007) 83.

[4] P. Dews, The Logics of Disintegration (New York 1987) xii.

[5] L. Ferry, Pensée 68. Essai sur l’antihumanisme contemporain (Parijs 1985).

[6] E. Deschavanne, Le Deuxième Humanisme: introduction a la pensée de Luc Ferry (Parijs 2010) 23.

[7] J. Bourg, From Revolution to Ethics: May 1968 and Contemporary French Thought (Montreal     2007) 5.

[8] Dews, The Logics of Disintegration, xii.

[9] T. Todorov, In Defence of the Enlightenment (London 2009) 5.

[10] YouTube, The Chomsky-Foucault Debate [excerpt, part 1/2],  http://www.youtube.com/watch?v=WveI_vgmPz8. Vertaling van de auteur. (Geraadpleegd op 14 mei 2011).

[11]  M. Gauchet en P. Nora (eds.), De quoi l’avenir intellectuel sera-t-il fait ? Enquetes, 1980, 2010 (Parijs 2010).

[12]  J. Habermas, ‘Modernity. An Unfinished Project’, in: M. Passerin d’Entreves en S. Benhabib (eds.), Habermas and the Unfinished Project of Modernity: Critical Essays on the Philosophical Discourse of Modernity (Cambridge 1996) 38-55, aldaar 54.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>