Het democratisch tekort: de valkuilen van representatieve democratie

Anita van Rootselaar

Al enige weken staan het Museumplein en talrijke andere locaties vol met tentjes: het occupy-protest. Er wordt de afgelopen jaren bovendien veel en frequent gesproken en geschreven over de ‘ondervertegenwoordigde’ groep in onze samenleving en de borrelende onvrede. Bevindt de democratie zich in een crisis?

Het meest populaire antwoord is: ja. Er zijn vele boeken geschreven over het zogenoemde ‘democratisch tekort’ en de media spreken momenteel veel over het wantrouwen tegenover de democratische instituties, het toegenomen populisme en de onvrede met onze huidige democratie. Tegelijkertijd zijn er weinig individuen die democratie willen afschaffen: het lijkt erop dat men niet ontevreden is met het fenomeen democratie, maar met de uitvoering ervan. De continue roep om méér democratie indiceert juist een gevoel dat het huidige bestel democratie nog niet voldoende realiseert. Dit roept enerzijds de vraag op wat er nu mis is met het huidige systeem, anderzijds is er de vraag: waarom willen we dat zo graag, democratie? Wat is de waarde van democratie? Het antwoord op beide vragen is niet los van elkaar te zien. Pas wanneer duidelijk is wat er verwacht wordt van democratie, is ook aan te wijzen waar en in welke opzichten het mis gaat.

Waarom democratie?
Winston Churchill zei ooit de befaamde woorden: ‘It has been said that democracy is the worst form of government except all the others that have been tried.’[1] Een uitspraak die daarna nog vele malen is herhaald in artikelen en boeken over democratie. Maar in welk opzicht is democratie dan beter (of, gezien de context van de uitspraak, minder slecht) dan alle andere voorbeelden van staatsvormen? Wie er de literatuur op naslaat, komt onherroepelijk uit op het basisbeginsel dat al in de naam van het woord verscholen ligt: het volk regeert. Dit is onder meer waardevol omdat het appelleert aan ons moreel gevoel dat het onjuist is als een ander zonder onze inspraak over ons lijf en leven kan beslissen. In dat opzicht is democratie gebaseerd op twee fundamentele waarden: de natuurlijke vrijheid van de mens en zijn daaruit voortvloeiende recht op vrijheid en zelfbeschikking.

Deze fundamentele waarden hebben hun wortels deels in de politiek-filosofische literatuur uit de periode van de Franse Revolutie en de Verlichting. Jean-Jacques Rousseau begint zijn fameuze paper On the Social Contract met de observatie dat de mens vrij geboren, maar overal ‘geketend’ is.  Vervolgens stelt Rousseau de vraag wat de legitimatie van deze ketens is.[2] Dit impliceert het idee dat de mens niet zomaar zijn vrijheid ontnomen kan worden: elke vorm van heerschappij dient gerechtvaardigd te worden. Een vorm van deze natuurlijke vrijheid is ook al terug te vinden in de werken van Thomas Hobbes, die het recht van elk individu op alles een ‘fundamenteel natuurrecht’ noemt. Dit natuurrecht kan het individu niet afgenomen worden: hij kan zijn recht op alles enkel verliezen door dit zelf vrijwillig door middel van een contract af te staan.[3] Democratie beschermt het volk tegen arbitraire heerschappij waarbij het volk het recht op zelfbeschikking afgenomen wordt: doordat het volk ook een rol als wetgever heeft, blijft het in zekere zin soeverein.

Directe democratie?
Dat de essentie van democratie een zekere volkssoevereiniteit en de macht van het volk om over zichzelf te kunnen regeren impliceert, lijkt weinig controversieel. Problematischer wordt het wanneer wij ons afvragen op welke manier het volk zichzelf moet regeren. In de huidige maatschappij wordt democratische volkssoevereiniteit gerealiseerd door een representatief systeem. Dit wordt vaak gezien als een noodzakelijk kwaad, omdat directe democratie in een maatschappij van het huidige formaat niet te realiseren is. Toch is het allesbehalve evident dat directe democratie ook de beste, meest ideale of meest pure vorm van democratie zou zijn. Het organiseren en regeren van een land vereist namelijk altijd een zeker beslismoment: na praten, discussiëren, overleggen en het zoeken van consensus komt een fase waarin knopen doorgehakt moeten worden. In een volledig directe democratie bestaat het risico dat ofwel beslismomenten moeilijk te bereiken zijn, ofwel, wanneer men de methode van meerderheidsstemmen gebruikt om een eind te maken aan de fase van deliberatie, dat een tirannie van de meerderheid ontstaat. Dat allen mogen spreken betekent bovendien niet automatisch dat alle meningen ook evenredig meetellen en dat met eenieder evenveel rekening gehouden wordt. Daarnaast is er uiteraard een groot verschil tussen het formuleren van een zekere visie, en het daadwerkelijk formuleren en realiseren van een passend beleid. De tijd, kennis en vaardigheid die hiervoor vereist zijn kunnen niet zonder meer van elke burger geëist worden.[4]

Een mooi voorbeeld is het in de inleiding al genoemde occupy-protest. Het protest is totaal non-autoritair opgezet: er is geen leider of gekozen groepje leiders; iedereen heeft evenveel te zeggen, en iedereen kan en mag werkelijk wat zeggen. In die zin is het protest ultiem democratisch. De keerzijde is dat beslissingen en concrete doelen traag op gang komen en de organisatie niet altijd even efficiënt is. Zo was de vergunningaanvraag voor het protest maar net op tijd verzonden: het stond eenieder vrij mee te schrijven aan het document, met als resultaat dat een grote groep betrokkenen ruim een dag in hetzelfde document aan het tikken een aanpassen was – tot middernacht. Ook ontstond er in de dagen voor het protest onduidelijkheid over de locatie in Amsterdam.

Anderzijds heeft de beweging wel in korte tijd op talloze locaties mensen weten te mobiliseren en protesten doen ontspringen. Tekenend is de leus die steeds meer gemeengoed is geworden: ‘we are the 99 procent.’ De 99% die de huidige democratie niet vertegenwoordigt, is het idee. Wat is dan de keerzijde van onze representatieve democratie?

 De valkuilen van representatieve democratie
Zoals directe democratie een keerzijde heeft – die geïllustreerd wordt door het voorbeeld van het occupy-protest, zo bestaan er ook diverse nadelen of risico’s van representatieve democratie. Deze risico’s zijn allen min of meer verbonden aan een van de meest fundamentele factoren voor het slagen van representatieve democratie: vertrouwen. Door het verkiezen van een representant legt het volk in feite een stuk macht in handen van de overheid, als het goed is in goed vertrouwen dat de belangen van de natie bij de representant in goede handen zijn. Dat vertrouwen wordt beïnvloed door een scala aan elementen. Vier elementen spelen hierbij een uitgesproken rol: effectieve representatie, identificatie van de burger met de rol van auteur van de wet, de exacte rol van de representant en het consensusideaal.

De eerste twee elementen hangen nauw met elkaar samen. Bij een representatief systeem is het van fundamenteel belang dat de representant ook daadwerkelijk representeert (effectieve representatie) zodat representatie inderdaad een indirecte uiting van de wetgevende macht van het volk is. Met andere woorden: de dubbelrol die de burger heeft als subject van de wet en auteur van de wet moet behouden blijven. Het risico bestaat dat de burger zich niet meer identificeert met zijn rol als auteur doordat hij niet fysiek bezig is met het vormgeven van de wet. Het probleem van het democratisch tekort lijkt juist hierin te schuilen: om diverse redenen ziet men zich niet als ‘machthebber’ in het politieke systeem, als iemand die de macht heeft om mee te beslissen over het beleid en daarmee nog altijd over zichzelf regeert.

De afwezigheid van een identificatie met de rol van auteur van de wet hangt echter niet enkel samen met het punt van effectieve representatie: evenzeer is het van belang dat de burger het gevoel heeft dat de overheid hem representeert. Wanneer de burger zich niet gerepresenteerd voelt, zal deze onvermijdelijk ook zijn beleving van zijn rol als auteur van de wet verliezen. Een dergelijk gevoel van een gebrek aan representatie kan een inhoudelijke bron (de koers die door de overheid gevaren wordt, is ver verwijderd van de wens van het betreffende individu), alsook een procedurele hebben (gebrek aan transparantie, onduidelijkheid en dergelijke). Het gebrek aan effectieve representatie en identificatie met de rol van auteur van de wet vormen grote problemen voor het functioneren van een representatieve democratie: wanneer een burger zichzelf niet meer ziet als auteur van de wet, en dus enkel als geregeerd door de overheid, dan werkt dat over het algemeen wantrouwen in de hand. Immers, wanneer men het gevoel heeft geen controle te hebben over het proces, dan is waakzaamheid geboden om te voorkomen dat het proces negatief uitpakt.

Een derde factor in het functioneren van representatieve democratie is, zoals eerder genoemd, de exacte rol van de representant. Een klassiek onderscheid hiervan is het onderscheid tussen trusteeship en delegacy.[5] Een delegate heeft een concreet mandaat waaraan hij zijn legitimiteit ontleent en is daarmee sterk gebonden aan de wensen van de individuen die hij vertegenwoordigt. Een trustee daarentegen heeft de vrijheid om zelf vast te stellen hoe hij de belangen of meningen van de gerepresenteerde het beste dient. In andere woorden: ‘In the “mandate” version of the model, the representative promises to follow the constituents’ instructions or expressed desires; in the “trustee” version the representative promises to further the constituency’s long-run interests and the interests of the nation as a whole.’[6] Wantrouwen kan ontstaan wanneer een overheid zich gedraagt als trustee, waar het publiek van de overheid verwacht dat deze de rol van delegate inneemt of wanneer er in het algemeen onduidelijkheid is over de rol van de overheid. Dit zien we ook in Nederland terug: er heerst in het algemeen verontwaardiging als de overheid haar eigen afweging maakt, waar bekend is dat de meerderheid van het volk een andere visie heeft. Het lijkt erop (en is in lijn met de roep om een hoger democratisch gehalte van het systeem) dat de burger een overheid verwacht wier rol dichter bij die van delegate ligt. Wanneer deze verwachting niet altijd ingelost wordt, leidt dat tot onvrede en wantrouwen.

Moet de overheid dan niet inderdaad beter ‘luisteren’ naar het volk? Is het geen afbreuk aan de democratie als zij meer haar eigen gang kan gaan? Wellicht, maar tegelijkertijd heeft een overheid als delegate ook nadelen. Het nut van het onderscheid tussen politieke en publieke sfeer, zoals omschreven in de bespreking van representatieve democratie versus directe democratie, komt daarmee in het gedrang:

 A key problem with delegation is that in trying to bring representatives as far as possible under the direct control of the voters, it cannot avail itself of the advantages offered by the division of labour involved in the agency model, while in terms of political equality it is as unsatisfactory as the crudest direct majoritarian procedure.[7]

 Manin sluit zich in zijn The Principles of Representative Government aan bij dit idee van een zekere mate van onafhankelijkheid van de politieke sfeer: ‘The decision making of those who govern retains a degree of independence from the wishes of the electorate.’[8] De vraag is dan natuurlijk tot op welke hoogte de politieke sfeer onafhankelijk zou moeten zijn van de publieke sfeer. Wat echter van even groot, als niet van groter belang is, is de duidelijkheid die er over beide rollen bestaat. Verwarring en scheve verwachtingen werken wantrouwen in de hand.

Consensusdemocratie
Het laatste probleem voor representatieve democratie is wat complexer en is zelfs wellicht wat contra-intuïtief. In de afgelopen eeuw is het idee dat democratie ook een zoektocht naar consensus impliceert behoorlijk ingebed geraakt. Dit consensusideaal heeft echter een keerzijde en kan juist de effectieve werking van democratie ondermijnen. Democratie-specialist Chantal Mouffe expliceert dit probleem in haar boek The Democratic Paradox. Volgens Mouffe is het probleem dat in realiteit een rationele consensus een onbereikbaar ideaal is: het pluralisme van de samenleving is niet uit te wissen. Politiek-filosofische theorieën die meer uitgaan van een consensusideaal (John Rawls, Jürgen Habermas) pogen deze inherente conflict-dimensie van de samenleving op te heffen door middel van een ‘ideale’ rationele publieke discussie die gevrijwaard is van macht. Mouffe stelt echter dat deze dimensie van macht inherent verbonden is aan de samenleving en niet uit te wissen valt: ‘The ideas that power could be dissolved through a rational debate and that legitimacy could be based on a pure rationality are illusions which can endanger democratic institution.’[9] Het idee dat een consensus mogelijk is zonder uitsluiting is daarmee eveneens een illusie: het conflict is onuitwisbaar, dus elke beslissing sluit ook andere mogelijkheden uit waar altijd voorstanders voor te vinden zullen zijn.

De actuele politiek is echter nog altijd impliciet gericht op consensus en het uitvlakken van conflict. Dat dit streven een gevaar kan vormen voor de democratie ligt onder meer in het feit dat het ideaal van een rationele consensus zonder uitsluiting altijd op een teleurstelling zal uitdraaien voor bepaalde groeperingen, omdat een dergelijke consensus niet bestaat en er dus altijd groepen zullen zijn die buiten de consensus vallen. Doordat deze dimensie van conflict genegeerd wordt kan het conflict groeien en verharden: de bestaande antagonismen nemen toe en worden scherper, in plaats van in goede banen geleid en verzacht. Daarom stelt Mouffe: ‘Too much emphasis on consensus and the refusal of confrontation lead to apathy and disaffection with political participation.’[10] In plaats van ons te richten op consensus dienen wij de antagonismen die inherent zijn aan een pluralistische samenleving in goede banen te leiden: het antagonisme waarbij er een ‘zij’ is die als vijand wordt gezien, moet worden omgevormd tot een agonisme waarbij de ander als een tegenstander wordt gezien met wie we het weliswaar niet eens zijn, maar die evenzeer als wijzelf het recht heeft zijn visie uit te spreken. Met andere woorden: politici moeten niet de illusie wekken dat deze botsingen uiteindelijk weg te nemen zijn, maar het conflict erkennen en sturen. Dit impliceert dat politieke partijen onderkennen dat zij niet het volledige volk kunnen vertegenwoordigen: zij representeren slechts een bepaalde groep binnen het stelsel van antagonismen (namelijk, hun achterban). Uiteraard regeren zij wel in het belang van de hele samenleving: ‘representeren van’ en ‘regeren voor’ zijn twee verschillende zaken. Politiek wordt op deze wijze een permanente, maar dynamische botsing van verschillende politieke posities, waarbij elke consensus slechts een tijdelijk resultaat is van een voorlopige hegemonie.

Ook in de eerder genoemde elementen (effectieve representatie, identificatie, rol van representatie) spelen valse verwachtingen een grote rol bij het probleem van wantrouwen. Het zijn deze punten, tezamen met het probleem van het ideaal van consensusdemocratie die aangepakt dienen te worden om onvrede en wantrouwen en het ‘democratisch tekort’ te verminderen. Zoals conflict nooit uit te vlakken valt, zo zullen ook onvrede en wantrouwen nooit volledig verdwijnen. Een transformatie van deze aspecten is, naast een vermindering, wél mogelijk: ook onvrede en wantrouwen kunnen bezien worden in agonistisch perspectief als een van de conflicten in onze samenleving. Het wij-zij gevoel dat inherent is aan onvrede en wantrouwen moet echter niet het karakter krijgen van een vijandschap: het moet gevormd worden tot een conflict tussen tegenstanders dat voor allen acceptabel is.

 Anita van Rootselaar (1983) heeft Politieke Filosofie gestudeerd aan de Universiteit Utrecht en is bezig met de afronding van de researchmaster Politieke Filosofie aan de Radboud Universiteit Nijmegen af. Daarnaast is ze politiek medewerker voor D66 Gelderland.



[1] Speech in het House of Commons 11 november 1947, The Official Report, House of Commons (5th Series, vol. 444) 206–207.

[2] J. J. Rousseau, ‘On the Social Contract’ (1762) in D. Wootton ed., Modern Political Thought: Readings from Machiavelli to Nietzsche (Indianapolis & Cambridge 1996) 464-534, aldaar 495-496.

[3] T. Hobbes, De Cive (Londen 1651), X; Ik wil hier uiteraard niet de grote verschillen tussen deze beide auteurs ontkennen, of beweren dat Hobbes een democraat pur sang was. Hobbes richtte zich op individuele soevereiniteit en daarmee veeleer op de liberale waarden, waar Rousseau de nadruk legde op de autonomie van het volk en daarmee de essentie van democratie uiteenzette. Het is echter belangrijk te zien wat de historische wortels zijn van de theoretische vrijheid die de basis vormt van het democratiebeginsel, en ook de bijdrage van Hobbes is daarvoor zeker relevant.

[4] Immers, de vrijheid zich al dan niet te verdiepen in politieke kwesties, daar tijd aan te besteden en kennis over te vergaren is onderdeel van de private autonomie van het individu: private autonomie is de negatieve vrijheid zich te onttrekken aan publieke ruimte van verplichtingen, en geen verantwoording te hoeven geven aan anderen of publiekelijk acceptabele redenen hoeft te geven voor haar actieplannen; het bestaan van een politieke sfeer biedt individuen de mogelijkheid zich op deze wijze aan de discours te onttrekken [J. Habermas, Between Facts and Norms (Cambridge 1996), 120].

[5] S. Dovi, Political Representation (2006) in: Stanford Encyclopedia of Philosophy, beschikbaar via: http://plato.stanford.edu/entries/political-representation (geraadpleegd op 10 oktober 2011).

[6] J. Mansbridge ‘Rethinking Representation,’ The American Political Science Review 97 (2003) 515-528, aldaar 516.

[7] C. McBride, ‘Reason, Representation, and Participation,’ Res Publica 13 (2007) 171-189, aldaar 182.

[8] B. Manin, The Principles of Representative Government (Cambridge 1997) 6.

[9] C. Mouffe, The Democratic Paradox (London & New York 2009) 104.

[10] Mouffe, The Democratic Paradox, 104.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>