Een nieuw diplomatiek paradigma?

Niek Alofs 

In de afgelopen jaren hebben Nederlandse bewindspersonen steeds meer nadruk gelegd op een meer economisch georiënteerde diplomatie in de buitenlandse politiek.[1] De veranderingen op het wereldtoneel, de almaar toenemende concurrentiedruk, de europeanisering van de buitenlandse politiek en de groei van niet-statelijke actoren in de wereldpolitiek hebben gevraagd om een aanpassing van het buitenlands beleid van Nederland.[2] Minister Verhagen, destijds nog verantwoordelijk voor Buitenlandse Zaken, zette in zijn Kamerbrief inzake Nederlandse vertegenwoordiging in het Buitenland (2009) dat ‘de Nederlandse overheid (…) haar internationale economische relaties actiever en assertiever [zal] moeten invullen om te voorkomen dat [Nederland] op een achterstand [zal] worden gezet’.[3] Ook de werkgeversvereniging VNO- NCW (2010) heeft er voor gepleit dat we het accent moeten verleggen naar de economie, omdat Nederland op andere gebieden te kort schiet, maar op economisch vlak nog wel een invloedrijke positie heeft.[4] De Nota Modernisering Nederlandse Diplomatie (2011) toont dat deze ideeën inmiddels gemeengoed zijn geworden bij de beleidsbepalers in Den Haag.[5]

Hoewel diplomatie en handelsbevordering altijd in elkaars verlengde hebben gelegen, wil het kabinet duidelijk maken dat de accenten zijn verschoven.[6] Maar in hoeverre komt er door bezuinigingen en organisatorische wijzigingen daadwerkelijk verandering in het beleid zoals dat in de voorgaande jaren bestond? Zijn de doelstellingen werkelijk veranderd of moet gezegd worden dat er vooral sprake is van een ‘cosmetische verandering’ in het kader van de huidige bezuinigingsgolf? Om deze vragen te beantwoorden, bestaat de noodzaak tot definiëring van het concept ‘economische diplomatie’.

In het eerste deel van dit artikel wordt het begrip ‘economische diplomatie’ gedefinieerd, waarbij het wordt afgebakend en gepositioneerd tegen andere aspecten van de diplomatie. Ter beantwoording van de vraag of de nieuwe koerswijziging daadwerkelijk tot een verandering in het diplomatieke beleid van Nederland leidt, wordt gekeken naar de rol van economie in het diplomatieke verleden van Nederland. Hierbij wordt vastgesteld dat het economisch gewicht van ons land door de geschiedenis heen onze positie internationaal heeft bekrachtigd Nederland heeft zijn economische rol vaak geherdefinieerd als er (relatief) grote veranderingen optraden in het internationale systeem en de wereldeconomie. Om dit punt te onderschrijven wordt in het tweede deel stilgestaan bij een eerdere herziening die diende om de buitenlandse politiek van Nederland aan te passen aan de nieuwe internationale dynamiek van het post-Koude Oorlog tijdperk. In het derde deel van het artikel wordt er een vergelijking gemaakt tussen de ‘Herrijkingsnota van 1995’ en de nieuwe koerswensen van de Nederlandse regering. Op basis van deze bevindingen wordt geconcludeerd dat de  meer economisch georiënteerde  diplomatie geen radicale breuk vormt met eerder beleid.

Definiëring van economische diplomatie
Wat omvat economische diplomatie? In het politiek debat lijkt deze vraag al snel beantwoord, maar politicologische en historische studies hebben aangetoond dat dit concept niet zo eenvoudig te duiden is.[7] Uit de terminologie blijkt dat economische diplomatie een onderdeel vormt van diplomatie. Historisch gezien hebben studies geschroeid op een structureel-realistische leest het bedrijf der Internationale Betrekkingen gereduceerd tot ‘concepts of anarchy, self-help, and power balancing’ waarbij staten moeten zien te overleven binnen het internationale statensysteem.[8] Als diplomatie gereduceerd wordt tot betrekkingen tussen staten en hun officiële delegaties dan kan economische diplomatie mogelijkerwijs beschouwd worden als een nieuw paradigma. Dit is echter een te traditionalistische benadering die te weinig rekenschap geeft aan nieuwe inzichten die zijn verworven door nieuwe theorieën binnen Internationale Betrekkingen en Internationale Politieke Economie.[9] Staten zijn op allerlei manieren met elkaar verbonden. Binnen de studie van internationale betrekkingen hebben vooral theorieën van liberale soort sterke argumenten gegeven dat staten meer dan alleen politieke relaties onderhouden en dat economie, economische en niet-statelijke actoren zoals het bedrijfsleven en NGO’s eveneens een rol spelen in de vorming van het diplomatieke beleid van een land. Desalniettemin tonen studies over het buitenlandbeleid van ons land aan dat diplomatie en ons buitenlandbeleid grotendeels wordt bepaald door de internationale omgeving waarin het opereert. Duco Hellema, een vooraanstaand onderzoeker op het gebied van buitenlandse betrekkingen, heeft al vastgesteld dat de buitenlandpolitiek van Nederland grotendeels een zaak is van aanpassen aan de internationale omstandigheden en dat de politieke wil van de burgers hieraan ondergeschikt is.[10] Deze bevinding is mijns inziens juist omdat het beleid maken nog steeds in handen is van een relatief ‘gesloten’ groep ministers en ambtenaren.

Diplomatie heeft als begrip an sich een minder transparant karakter en is onderdeel van ‘high politics’. Om die reden gaat dit artikel uit van een realistische benadering van economische diplomatie en het Nederlandse buitenland beleid in het algemeen waarbij de doelen van de staat wel toegepast worden in termen van economische veiligheid. Maaike Okano-Heijmans veronderstelt dat ‘economische diplomatie gedefinieerd [moet] worden als het streven naar veiligheid binnen het anarchistisch [leiderloos] systeem’.[11] Ze onderscheidt vijf subtypen economische diplomatie waaronder commerciële diplomatie, handelsdiplomatie, financiële diplomatie, stimulansen (ontwikkelingshulp) en sancties. Gezien de toon van de Nota modernisering Nederlandse diplomatie (2011)  lijken de eerste onderdelen meer aandacht te krijgen. De huidige plannen van het kabinet stellen ‘een forse intensivering van de economische diplomatie  en meer samenwerking met het bedrijfsleven’ voor, maar op het gebied van de ‘ontwikkelingssamenwerkingsrelatie heeft het kabinet minder partnerlanden en minder sectoren voor ogen’.[12] Toch moeten ‘vrijwel alle uitingen van Economische diplomatie kunnen in verschillende categorieën worden ondergebracht (…) waarbij welvaart en stabiliteit geen van elkaar gescheiden uitersten zijn’.[13] Ook Sjef van Dooremalen en Winand Quaedvlieg sluiten zich hierbij aan. Economische diplomatie moet volgens hen ook gedefinieerd worden in de brede zin. Het is ‘dus niet alleen klassieke handelsbevordering, maar ook handelspolitiek (…) [en] het beleid van de internationale en financiële instellingen’.[14] Binnen het ‘traditionele’ realisme wordt daar echter nauwelijks onderscheid tussen gemaakt, omdat al deze vormen van diplomatieke politiek het doel hebben om ‘economische veiligheid’ binnen het statensysteem te behouden of te verwezenlijken.

Dit probeert de Nederlandse regering te bereiken door de relaties met het bedrijfsleven te intensiveren en meer samen te werken met andere ministeries, waaronder met Economische Zaken in het bijzonder. Ten eerste gaat het hier om  de wens om meer voet aan de grond te krijgen in groeiende markten. Volgens minister Rosenthal (VVD) van Buitenlandse Zaken moeten Nederlandse medewerkers in het buitenland het bedrijfsleven [ondersteunen] bij het verkrijgen van markttoegang [en] het vinden van geschikte partners en trouble shooting in algemene zin.[15] Ten tweede zullen de locaties van ambassades en missies strategischer worden gekozen. Dit zal geschieden op basis van economische belang, dan wel in overeenstemming met missies van de Europese Unie (EU). Ook ontwikkelingssamenwerking wordt op een dergelijke basis gekozen zolang het economisch in het voordeel van het donorland is, of als het land de verplichting naar de internationale gemeenschap moet nakomen. De vraag is of economische diplomatie, zoals hierboven uiteengezet, wezenlijk een nieuwe visie is binnen de geschiedenis van het Nederlands diplomatieke bedrijf.

Twee kanten van dezelfde medaille
Voor een theoretische beschouwing van de buitenlandse politiek van Nederland moet er van uit gegaan worden dat Nederland tot de groep van middelmatig tot kleine landen behoort. Binnen het internationale systeem moeten deze landen hun positie veilig zien te stellen.[16] De twee dimensies van ‘economische veiligheid’, het garanderen van economische welvaart en politieke stabiliteit voor een land, vormen grotendeels een constante in de Nederlands geschiedenis.[17] R.H Serry zet uiteen dat er in altijd Nederland enige schroom bestond om het buitenlands beleid in het teken van direct economisch belang te stellen, maar dat in de realiteit diplomatie en exportbevordering altijd wel samenvielen.[18]

Nederland is een klein land met een kleine bevolking en weinig militaire invloed.[19]  De aard van het systeem is niet bepalend voor het gedrag van zijn eenheden, maar bepaalt de omstandigheden die maken dat bepaalde gedragingen aantrekkelijker zijn dan andere.[20] Dit betekent dat wanneer Nederland zijn positie in de wereld optimaal trachtte te maximaliseren ook geprobeerd werd om zijn economische macht in te zetten om meer te profiteren van de (economische) verschuivingen in de wereldpolitiek en economie. Het doel was om op deze manier meer invloed te krijgen in internationale fora. Daarnaast is Nederland  de plaats waar het internationaal gerechtshof gevestigd is. In de perceptie van beleidsmakers bleef Nederland daardoor tot de belangrijke landen in de wereld behoren.[21] Omdat het beleid van Nederland was gebouwd op twee elementen, ‘internationalist idealism and maritime commercialism’,[22] kan worden gesteld dat het geen voorbeeld is van realisme pur sang. De rol van economische diplomatie in de Nederlandse diplomatieke geschiedenis was per tijdvak weliswaar anders, maar dat neemt niet weg dat er op basis van het Nederlands buitenlands beleid van de laatste eeuw enkele opvallen constanten waar te nemen zijn. In de periode tot de Tweede Wereldoorlog werd het systeem gekenmerkt door verschillende blokken van staten en het ontbreken van een leidende staat. Na de Tweede Wereldoorlog werd het gekenmerkt door bipolariteit met de Verenigde Staten (VS) en Sovjetunie als balancerende machten. In de periode na de Koude Oorlog, die vaak wordt aangeduid als het tijdperk van de globalisering, wordt het systeem gekenmerkt door de groei van de wereldeconomie en het verschuiven van de economische zwaartepunten.

In de periode vanaf de late negentiende eeuw tot en met de Tweede Wereldoorlog probeerde Nederland zich staande te houden in het concert der Europese mogendheden. Serry  onderschrijft dat reeds in de negentiende eeuw ‘economische diplomatie grotendeels bestond uit het afsluiten van handelsverdragen’.[23] Vrijhandel paste in de moralistische en legalistische traditie van Nederland dat zich als klein land moest verhouden tot de Europese grootmachten. Uit de analyse van Serry kan worden opgemaakt dat Nederland in deze periode vanuit ‘realistische’ overwegingen een morele politiek voerde en zich daarbij zowel als verdediger van vrijhandel als het land van het internationale recht opwierp. De neutraliteit van Nederland was eveneens een component om economische veiligheid binnen het anarchistisch systeem veilig te stellen.  Het einde van de Tweede Wereldoorlog en het verlies van ‘ons Indië’ maakten een einde aan de Nederlandse neutraliteitspolitiek. Noodgedwongen moest Nederland zijn internationale status herdefiniëren.[24] In het bipolaire klimaat van de Koude Oorlog zijn een aantal constanten op te merken: In 1955 kwamen de ministeries van Economische- en Buitenlandse Zaken het zogenoemde ‘Concordaat EZ-BZ’ overeen. Dit hield in  dat de buitenlandse-economische betrekkingen op elkaar afgestemd werden, ‘waaronder de aansturing van handelsmissies op de posten’.[25]  Over de rol van private ondernemingen op het Nederlandse economisch-diplomatisch beleid lijken studies geen eenduidige strekking te geven. In een open economie zoals die van Nederland vallen deze belangen vaak samen waardoor het niet verwonderlijk is dat bedrijven en overheden vaak samen optrekken om winst te maximaliseren. Studies naar deze periode geven eveneens aan dat ontwikkelingshulp in grote mate economisch-strategisch was ingegeven en dat morele aspecten daaraan onder deden. Volgens de studie van Arens naar ontwikkelingssamenwerking in de jaren 1950 en 1960 was dit idealisme eveneens een bruikbaar strategisch middel en  kwam de steun voor het multilateralisme grotendeels voort uit een fundamentele economische noodzaak.[26] Soms werd politiek bedreven vanuit een sterk idealisme, zoals steun voor Israël tijdens de Zesdaagse- en Jom Kipoeroorlog. Maar na de oliecrisis was Nederland genoodzaakt om over te gaan tot een ‘evenwichtige’ politiek ten aanzien van het Midden-Oosten.[27]

Het tijdperk van de globalisering, volgend op de golf van liberalisering van de jaren 1980 en de val van het communistische statensysteem, heeft wellicht meer dan in andere tijden een druk op de  Nederlandse beleidsmakers gezet. Bertjan Verbeek en Anna van der Vleuten onderscheiden enkele factoren die Nederlandse en Europese buitenlandse politiek hebben beïnvloed: ‘the end of international bipolarity; an increase in the interaction density of the international system; the growth of both international and regional institutions’.[28] Het moet hier worden opgemerkt dat veel van deze omwentelingen al plaatsvonden voor het einde van de Koude Oorlog, maar deze ontwikkelingen erdoor geïntensiveerd werden.

Binnen Internationale betrekkingen en economische studies hebben de debatten in deze periode onder meer veronderstelt dat de wereld na de Koude Oorlog werd gekenmerkt door een Amerikaanse hegemonie, een ‘unipolar moment’,[29] dat er een multipolair systeem zou komen ofwel dat de wereld die sterke invloed onderging van economische globalisering.

Binnen Nederland heeft de alliantie  met de Verenigde Staten een duidelijke plek in het militaire- en veiligheidsbeleid waarbij NAVO-lidmaatschap niet ter discussie staat. Tegelijkertijd lijkt Nederland economisch gezien het derde model voor ogen te hebben gehad, want Nederland moest zich  in de groeiende wereldeconomie aanpassen. Verbeek en Van der Vleuten stellen dat: ‘A small state with an open economy, after the end of bipolarity will enjoy larger freedom of manoeuvre, but we expect that freedom to be constrained by new international interdependencies.’[30] In 1995 werd door de regering Kok I (1994-1998) getracht de doelen van het buitenlandbeleid te herformuleren. Ook toen werd de nadruk steeds sterker gelegd op de rol van ‘economische aspecten’ in de Nederlandse diplomatie. Op basis van de nota van 1995 en de implicaties van het beleid dat destijds tot stand is gekomen, betoog ik dat de verschuivingen in diplomatic conduct  ook nu niet zo verrijkend zijn als nu door de regering gepresenteerd. Met de demografische teruggang van Nederland en de EU, de opkomst van de BRIC-landen (Brazilië, Rusland, India en China)[31]  en de economische groei zijn de Nederlandse belangen geëconomiseerd.[32] Uit cijfers van het Centraal Bureau voor Statistiek blijkt dat de export naar China in de jaren 1990 niet gelijk liep met de import maar dat aan het einde van dit decennium het verschil tussen import en export sterk was toegenomen.[33] Het klopt inderdaad dat de verschillen in recente jaren groter zijn geworden. Dat neemt echter niet weg dat het beleid zoals dat nu wordt voorgesteld een paradigma vormt met de politiek van eerdere jaren.

Een werkelijke ommezwaai?
In 1995 probeerde de Nederlandse regering het buitenlands beleid op essentiële punten te herzien en ageerde dat deze nieuwe visie Nederland kon wapenen tegen de oprukkende globalisering. Het doel was om doelstellingen van het buitenlands beleid  te herformuleren,[34] waarbij de erkenning van de onderlinge verbondenheid van de politieke, sociale, economische, milieu-, ontwikkelings- en juridische dimensies van de wereldpolitiek centraal gesteld werden.      Hoewel hier enige kanttekeningen bij te plaatsen zijn, ben ik van mening dat beide nota’s op veel punten met elkaar overeenkomen. De herziening in 1995 betekende een accentverschuiving naar een verdere samenvoeging van de afdelingen van Economische Zaken met Buitenlandse Zaken en dat ontwikkelingssamenwerking en Buitenlandse Zaken zich met dezelfde regio’s in de wereld bezig zouden moeten houden. Hierbij werd geïnvesteerd in de intensivering van economische relaties met ‘Azië, Zuid-Afrika en Latijns-Amerika’ die ‘beschouwd [werden] als de gebieden die Nederland grote handelsperspectieven’ boden. Het VNO-NCW  was van mening dat door de ambtelijke reorganisatie de handelsbelangen beter zouden worden behartigd. Anderzijds hebben organisaties voor ontwikkelingssamenwerking de herijkingsnota verworpen omdat deze het eigenbelang te sterk vooropstelde. [35] De gevolgen van de koerswijzingen zijn in verschillende studies aangesneden. Studies over Nederlandse ontwikkelingssamenwerking  hebben vastgesteld dat er een tendens gaande is sinds de jaren 1990 waarbij locaties selectiever worden aangewezen en het bedrijfsleven een grotere rol kreeg toebedeeld.

Meer assertief opstellen en aanpassen aan de internationale omgeving zijn in de voorafgaande jaren, vooral onder centrumrechtse regeringen, het uitgangspunt geweest.[36] Paul Hoebink stelt de tendens vast, namelijk dat in het bijzonder ‘partnerships between private companies and all types of Third World solidarity organisations have been developed rapidly’.[37] Hij krijgt hier bijval van Dirk-Jan Koch en Bart Loman: ‘geographic choices made by Dutch NGOs are closely related to and influenced by those of the government.’[38] Hun studie concludeerde dat ‘organisations were not targeting either the poorest countries, or the countries with worst governance’,[39] maar dat de keuzes grotendeels samenvielen met de voorkeuren van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Op basis van deze argumenten uit The Netherlands Yearbook on International Cooperation 2008 wordt het particuliere aspect van de Nederlandse buitenlandse doelstellingen bevestigd. Hoebink haalt de studie van Bert Helmsing en Peter Knorringa aan die veronderstellen dat ‘private sector involvement has increased … and this has contributed to an increased market orientation, focusing more on opportunities than on problems’.[40]

Hieruit kan worden opgemaakt dat ‘het ontwikkelingsbeleid [moet worden] herzien en minder toegespitst op hulp maar meer op investeren’.[41] Waar het bedrijfsleven een centrale rol in zal gaan vervullen is op basis van de ontwikkelingen van de afgelopen jaren nauwelijks als paradigma aan te duiden. Daar komt nog eens bij dat in eerdere tijden ontwikkelingssamenwerking een status- en welvaartsverrijkend doel heeft gehad – zoals Arens heeft aangetoond.[42] Van een diplomatiek paradigma is dus geenszins sprake, maar van een graduele aanpassing, of cosmetic shift wel. De huidige nadruk op Economische Diplomatie is vooral een organisatorische verandering, ingezet om de bezuinigen (€74 miljoen euro waarvan €55 miljoen bij ambassades en consulaten en €19 miljoen bij het ministerie in Den Haag) in goede banen te kunnen leiden. [43] Om het aantal medewerkers naar beneden te brengen  ‘komen [er] onder meer reizende ambassadeurs met Den Haag als thuisbasis. Vaker zal één ambassade Nederland in een aantal landen tegelijk vertegenwoordigen.’[44] Hoewel een meer economisch georiënteerde diplomatie is benadrukt als een kernpunt in de transformatie van de Nederlandse diplomatie, kan dit op basis van ons onderzoek niet als een historische kentering worden beschouwd. Het past het binnen een langere traditie van aanpassen en herdefiniëren van onze positie binnen het internationale systeem.

Conclusie
Dit artikel had als doel om de nieuwe visies van het ministerie van Buitenlandse Zaken, waarbij economische diplomatie een sleutelrol inneemt, te analyseren. Op de vraag of er wezenlijk verschil bestaat met het verleden moet echter met ’nee’ geantwoord worden. In deze beschouwing is aangetoond dat economische diplomatie, hier verstaan als welvaart en stabiliteit binnen het internationale systeem te kunnen garanderen, niet nieuw is. Ook het gebruik van andere motieven en middelen, waaronder het gebruik van commerciële manieren/middelen valt hieronder te plaatsen. In het veld van de internationale betrekkingen is de hernieuwde aandacht voor economische diplomatie positief ontvangen. Het is daarbij van belang dat men zich realiseert dat economische diplomatie niet nieuw is en historische precedenten heeft, zij het dat deze in vorm en inhoud op punten verschillen van de huidige visie zoals uiteengezet in de Nota hervorming Nederlandse diplomatie.

Toch dient te worden heroverwogen of  ‘economische diplomatie, beleid gericht op veiligheid en stabiliteit en mensenrechtenbeleid – met daarbij bijzondere aandacht voor strategische hulpbronnen, ontwikkelingssamenwerking en consulaire dienstverlening’[45] in alle gevallen elkaar kan complementeren. Terwijl de Nederlandse buitenlandse belangen een sterke economische aard hebben gehad, heeft ook de moraal-legalistische politiek van Nederland, ‘Nederland als gidsland’ ons land in de wereld op de kaart gezet. Dat minister Rosenthal veronderstelt dat ‘je (…) niet overal voortdurend mee bezig [kunt] zijn [omdat] er (…) tal van organisaties en instituten [zijn] die zich ermee bezighouden’,[46] moet echter niet te lichtzinnig worden opgevat. Uit de nieuwe economisch-strategische doelen blijkt onder meer ook dat ‘de Golfregio van groot economisch belang voor Nederland [is] en [het een niche] biedt (…) waar het Nederlandse bedrijfsleven toegevoegde waarde kan bieden’.[47] De recente revoluties in het Midden-Oosten maken echter duidelijk dat Nederland duidelijk een kosten- en batenanalyse moet maken als het gaat om het versterken  van relaties en de vestiging van Nederlandse ondernemingen in deze contreien. Wil dit gerealiseerd worden dan moeten doelen van  ‘de bevordering van onze economische belangen (welvaart), vrede en stabiliteit (veiligheid), en mensenrechten (vrijheid)’ op een wenselijke en effectieve manier op elkaar afgestemd worden.[48]

Niek Alofs (1988) studeerde Geschiedenis aan de Radboud Universiteit Nijmegen en International and European Politics aan de University of Edinburgh.

* Een alfabetische literatuurlijst is op aanvraag bij de redactie te krijgen.



[1] Ministerie van Buitenlandse Zaken, Nota Modernisering Nederlandse Diplomatie (8 april 2011) 1. Beschikbaar via: ‘http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/notas/2011/04/08/nota-modernisering-nederlandse-diplomatie.html’ (laatst geraadpleegd 14 mei 2011).

[2] Zie voor een beknopt overzicht van deze punten S. van Dooremalen en W. Quaedvlieg, ‘Nederlandse economische diplomatie heeft overkoepelende visie nodig’  Internationale Spectator 64 (2010) 77-80.

[3] Ministerie van Buitenlandse Zaken, Kamerbrief inzake Nederlandse vertegenwoordigingen in het buitenland (4 november 2009). Beschikbaar via: http://www.nieuwsbank.nl/inp/2009/11/05/H127.htm (laatst geraadpleegd 14 mei 2011).

[4] Persbericht VNO-NCW ‘Wientjes wil grotere nadruk op economische diplomatie’. Beschikbaar via:  http://www.vno-ncw.nl/Pers/Persberichten/Pages/Wientjes_wil_grotere_nadruk_op_economische_diplomatie_339.aspx?source=%2fpers%2fPersberichten%2fPages%2fdefault.aspx (laatst geraadpleegd 14 mei 2011).

[5] Ministerie van Buitenlandse Zaken, Nota Modernisering Nederlandse Diplomatie, 1.

[6] Ibidem.

[7] In het themanummer van de Internationale Spectator 64 (2010), het officiële blad van Instituut Clingendael lichtten verschillende specialisten op het gebied van de Internationale betrekkingen hun visies en definiteis van economische diplomatie toe.

[8] K. Waltz, ‘Structural Realism after the Cold War’, International Security 25 (Cambridge 2000) 5-41, aldaar 5.

[9] M. Okano-Heijmans, ‘Hantering van het begrip economische diplomatie’, Internationale Spectator 64 (2010) 73-76.

[10] M. Li Vos , International cooperation between politics and practice: how Dutch Indonesian cooperation changed remarkably little after a diplomatic rupture (Amsterdam 2001) 71.

[11] Okano-Heijmans,  ‘Hantering van het begrip economische diplomatie’, 75.

[12] Ministerie van Buitenlandse Zaken, Nota modernisering Nederlandse diplomatie, 1.

[13] Okano-Heijmans, ‘Hantering van het begrip economische diplomatie’, 75.

[14] Dooremalen en Quaedvlieg, ‘Nederlandse economische diplomatie heeft overkoepelende visie nodig’, 80.

[15] Uri Rosenthal, ‘Werken aan welvaart in de wereld’,  Toespraak 28 februari 2011, Tilburg University. Beschikbaar via: http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/toespraken/2011/02/28/werken-aan-welvaart-in-de-wereld.html (laatst geraadpleegd 14 mei 2011).

[16] B. Verbeek en A. Van der Vleuten, ‘The Domesticization of the Foreign Policy of the

Netherlands (1989–2007): The Paradoxical Result of Europeanization and Internationalization’, Acta Politica 43 (2008) 357-377, aldaar 358.

[17] Okano-Heijmans, ‘Hantering van het begrip economische diplomatie’, 75.

[18] Verbeek en Van der Vleuten, ‘The Domesticization of the Foreign Policy of the Netherlands (1989–2007)’, 358.

[19] Li Vos , International cooperation between politics and practice, 71.

[20] Verbeek en van der Vleuten, ‘The Domesticization of the Foreign Policy of the Netherlands(1989–2007)’, 359.

[21] J. Serry, ‘‘Nederlandse exportbevordering’ Bilaterale diplomatie in een multilateraal handelssysteem’ in: J. Melissen, Diplomatie: raderwerk van de internationale politiek (Assen 1999) 151.

[22] Citaat van J.J.C. Voorhoeve in E.H. Arens, ‘Multilateral Institution-Building and National Interest: Dutch Development Policy in the 1960s’, Contemporary European History 457 (Cambridge 2003).

[23] Serry, ‘Nederlandse exportbevordering. Bilaterale diplomatie in een multilateraal handelssysteem’, 151.

[24] Verbeek en Van der Vleuten, ‘The Domesticization of the Foreign Policy of the

Netherlands (1989–2007)’, 354.

[25] Okano-Heijmans, ‘Hantering van het begrip economische diplomatie’, 74.

[26] Arens, ‘Multilateral Institution-Building and National Interest’, 457-458, 463.

[27] N. Alofs, (2010) The Netherlands and the Arab-Israeli Conflict: A Foreign policy Analysis The shaping of Dutch foreign policy attitude vis-à-vis the Arab-Israeli conflict in moments of crisis. Ongepubliceerd werk. (Edinburgh 2010) 12-14.  

[28] Verbeek en Van der Vleuten. ‘The Domesticization of the Foreign Policy of the Netherlands (1989–2007)’, 358.

[29] Ibidem.

[30] Ibid., 360.

[31] Soms wordt hier ook Zuid-Afrika bijgerekend, zoals in de nota Buitenlandse Zaken van 8 april 2011.

[32] Dooremalen en Quaedvlieg, ‘Nederlandse economische diplomatie heeft overkoepelende visie nodig’, 80.

[33] M. Jaarsma, Opkomende groeimarkten voor Nederland steeds belangrijker, (Voorburg en Heerlen 2008). Publicatie van het Centraal Bureau voor de Statistiek, beschikbaar via: http://www.cbs.nl/NR/rdonlyres/A0EEA18E-954E-45CE-B653-230ECCA580E3/0/2008opkomendegroeimarktenvoornederlandsteedsbelangrijkerart.pdf (laatst geraadpleegd op 14 mei 2011).

[34] Verbeek en Van der Vleuten, ‘The Domesticization of the Foreign Policy of the Netherlands (1989–2007)’, 364.

[35] ‘Organisaties voor ontwikkelingssamenwerking bekritiseren herijkingsnota ‘Kabinet benadrukt eigenbelang te sterk’’, Volkskrant 12 september 1995. Beschikbaar via: http://www.volkskrant.nl/vk/nl/2844/Archief/archief/article/detail/412957/1995/09/12/Organisaties-voor-ontwikkelingssamenwerking-bekritiseren-herijkingsnota-Kabinet-benadrukt-eigenbelang-te-sterk.dhtml (laatst geraadpleegd 14 mei 2011).

[36] Arens, ‘Multilateral Institution-Building and National Interest’, 457.

[37] P. Hoebink, ‘Some new tendencies in the international cooperation of the Netherlands: An Introduction to Yearbook 2008’ in: Idem (ed.), The Netherlands Yearbook on International  Cooperation 2008, (Assen 2008), 9.

[38]  Ibidem, 10; Zie ook: D.J. Koch en B. Loman,‘Geographical choices of Dutch NGOs’ orthodoxies and realities’ in: P. Hoebink (ed.), The Netherlands Yearbook on International  Cooperation 2008, (Assen 2008), 74-75.

[39] Koch en Loman,‘Geographical choices of Dutch NGOs: orthodoxies and realities’, 75.

[40] Hoebink, ‘Some new tendencies in the international cooperation of the Netherlands’, 10.

[41] ‘Miljard minder voor ontwikkelingshulp’ Telegraaf 30 september 2010. Beschikbaar via: http://www.telegraaf.nl/binnenland/7797229/__Mld._minder_voor_ontwikke lingshulp.html (laatst geraadpleegd 14 mei 2011).

[42] Arens, ‘Multilateral Institution-Building and National Interest’, 458.

[43] Rijksoverheid nieuwsbericht ‘Hervorming diplomatie: duidelijke keuzes, nieuwe accenten’ 8 april 2011. Beschikbaar via: http://www.rijksoverheid.nl/nieuws/2011/04/08/hervorming-diplomatie-duidelijke-keuzes-nieuwe-accenten.html (laatst geraadpleegd 14 mei 2011).

[44] Ibidem.

[45] Ministerie van Buitenlandse Zaken, Nota Modernisering Nederlandse Diplomatie, 31.

[46] Ibidem, 20.

[47] Ibid..

[48] Ibid., 5.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>