Dilemma’s van een elite

Dieuwertje ten Brinke

Hoog- en laagopgeleiden zijn in de Nederlandse democratie gelijk. Met deze woorden wordt echter een verschil blootgelegd, een fenomeen dat de politicologische gemoederen aardig bezig houdt: een nieuwe kloof in de samenleving en wel bepaald door opleiding. De zogenaamde diplomademocratie. Is er ondanks onze inzet voor de ontwikkeling van een land waarin vrijheid, gelijkheid en solidariteit centraal staan toch een foutje geslopen in de democratie en waarom is dat zo’n probleem?

Dat er verschillen bestaan tussen mensen die een ander type opleiding hebben gevolgd behoeft geen uitleg, maar voordat iemand onderscheid durft te maken moet er een enorme drempel worden beklommen. Het verschil is er, maar onderscheid maken is simpelweg not done en politiek incorrect. Onze democratie is er dan ook op ingericht dat iedereen, ongeacht afkomst of opleiding, evenveel rechten heeft als het gaat om het bestuur van Nederland. Iedere Nederlander heeft actief en passief kiesrecht. Om zover te komen heeft de Nederlandse parlementaire democratie zich meer dan honderd jaar ontwikkeld en aan deze grondrechten moet zeker niet getornd worden. Politieke partijen als GroenLinks en D66 willen zelfs nog verder gaan en de Nederlandse bevolking meer inspraak geven door een (correctief) referendum. Maar ook juist binnen GroenLinks leeft er een prangend dilemma.

Jong Wetenschappelijk Bureau
Binnen deze partij ben ik op dit moment betrokken bij de oprichting van een Jong Wetenschappelijk Bureau. Het bureau moet een plek binnen GroenLinks bieden aan jongeren die zich aangetrokken voelen door wetenschap én door GroenLinks, maar die zichzelf niet zien canvassen of  demonstreren. Een plek voor jongeren waar gediscussieerd kan worden over maatschappelijke vraagstukken, duurzaamheidsproblematiek en politiek vanuit verschillende onderzoek disciplines en achtergronden. Een netwerk van jongeren die met hun kennis en kunde de idealen van GroenLinks willen ondersteunen.

De inmiddels ontstane grote belangstelling voor een dergelijk bureau binnen GroenLinks doet mij denken dat er inderdaad een hiaat wordt gevuld, die voorheen wellicht niet zichtbaar was. Van vele mensen heb ik begrepen dat een Jong Wetenschappelijk Bureau net datgene was dat ze misten bij de politieke partij. De bestaande werkgroepen die thema’s zoals onderwijs, religie en politiek, privacy en Midden-Oosten uitdiepen bestaan voornamelijk uit mensen uit het vak, specialisten en vaak ouderen. De drempel om je hier als student of pas afgestudeerde bij aan te sluiten ligt hoog. Voor jongeren is in de beginperiode van de partij de politieke jongerenorganisatie DWARS in het leven geroepen, een in beginsel onafhankelijke politieke organisatie die activiteiten organiseert voor in politiek geïnteresseerde jongeren. Binnen DWARS wordt gediscussieerd over actuele onderwerpen, maar de politieke opinievorming staat centraal, niet het wetenschappelijk debat. Zij die juist verder willen gaan met de wetenschap voelen zich meer thuis bij een Jong Wetenschappelijk Bureau zoals die nu in de stijgers staat.

Maar met een vaag idee van je doelgroep stuit je op veel vragen van buitenstaanders. Wat is bijvoorbeeld je leeftijdsgrens? Moeilijk te zeggen: wanneer is iemand geen jongere meer? Het jongerenabonnement van wetenschappelijk tijdschrift van GroenLinks De Helling kan je aanvragen tot en met je 27e, van DWARS mag je lid worden als je tussen de 14 en 28 jaar oud bent. Aangezien het Jong Wetenschappelijk Bureau mikt op studenten en afgestudeerden kan de beginleeftijd met vier jaar worden opgehoogd. De leeftijd van mensen die pas zijn afgestudeerd en beginnen met werken loopt uiteen van 22 tot 30 jaar en soms nog verder. Een duidelijke grens stellen is lastig, dus we besluiten het magische getal 30 als uitgangspunt te nemen. Easy does it. De vraag waar je echter niet expliciet bij stilstaat is of daadwerkelijke iedereen binnen deze leeftijdsgrenzen zich bij het bureau mag aansluiten. Is een lidmaatschap van het Jong Wetenschappelijk Bureau voorbehouden aan hen die aan de universiteit studeren of hebben gestudeerd?

En dan begin je je ongemakkelijk te voelen. De naam ‘Jong Wetenschappelijk Bureau’ impliceert duidelijk dat je bezig gaat met wetenschap en onderzoek. En wie zijn er nou geschikter voor zo’n bureau dan mensen die wetenschappelijk onderwijs hebben gevolgd? Toch durf je niet expliciet te zeggen: ‘Het lidmaatschap van het Jong Wetenschappelijk Bureau staat alleen open voor universitair studenten en afgestudeerden.’ Daarmee maak je namelijk onderscheid op basis van opleiding, en dat is fout, toch?

Mooie idealen
Een politieke partij als GroenLinks wil bij uitstek de idealen vrijheid, gelijkheid en solidariteit uitdragen in haar standpunten en werkwijze. Daarom schrik je terug als je een orgaan wil oprichten dat speciaal voor hoger opgeleiden is bedoeld: past dat wel binnen de GroenLinkse idealen? Het ideaal dat iedereen dezelfde kansen moet krijgen om zich te ontwikkelen en emanciperen, en daar desnoods een steuntje bij in de rug moet krijgen. Het ideaal dat alle burgers inspraak moeten hebben in het bestuur van het land, dat onderwijs en sociale voorzieningen voor iedereen bereikbaar zijn. En naar deze idealen moet zoveel mogelijk gehandeld worden.

Een treffend voorbeeld van zo’n ideaal is het voornemen een correctief referendum mogelijk te maken: na het besluit of tijdens de besluitvorming van het parlement moeten burgers de mogelijkheid hebben het besluit terug te draaien door middel van volksraadpleging. Femke Halsema, voormalig fractievoorzitter van de Tweede Kamerfractie van GroenLinks, zette zich volop in voor de invoer van het referendum op het moment dat het partijcongres in 2010 besloot het standpunt over referenda uit het partijprogramma te schrappen. Blijkbaar vertrouwden de leden van GroenLinks niet al te veel op het vermogen van de Nederlandse bevolking om een afgewogen keuze te maken. Het referendum zou zomaar in de ‘verkeerde’ handen terecht kunnen komen en dat kon toch zeker niet de bedoeling zijn. Vol afschuw dachten de leden waarschijnlijk terug aan november 2009, toen de Zwitserse bevolking zich uitsprak tegen de bouw van nieuwe minaretten in Zwitserland. Of het failliete Californië, waar de bevolking elke belastingverhoging weg had gestemd. Nee, laat beslissingen over het bestuur van Nederland maar gewoon over aan hen die er verstand van hebben en ons vertegenwoordigen. Van verdergaande democratisering blijft niet veel over als men ineens beseft dat de toename van inspraak voor daadwerkelijk iedereen bedoeld is.

Zou het dan toch zo zijn dat bepaalde mensen beter weten wat goed is voor het land dan anderen? Over deze vraag startte het Wetenschappelijk Bureau van GroenLinks in het najaar van 2010 een lezingenreeks met de titel Weet de overheid wat goed voor ons is? De lezingen werden gegeven in het kader van het binnen het Wetenschappelijk Bureau lopende project Vrijzinnig paternalisme. In het woord ‘paternalisme’ schuilt het idee dat de overheid in sommige gevallen best kan bepalen wat goed is voor de samenleving. Met de toevoeging ‘vrijzinnig’ wilde het Wetenschappelijk Bureau een vorm van paternalisme onderzoeken dat binnen de grenzen van GroenLinkse idealen zou passen. Mensen mogen aan de ene kant niet beperkt worden in hun keuzes, maar soms maken mensen keuzes die slecht zijn voor hun eigen gezondheid, hun omgeving, het milieu en de langere termijn. Mag de overheid deze mensen een duwtje in een andere richting geven, en hoe dan? De deelnemers aan de discussie bleven zich toch ongemakkelijk voelen bij het idee dat sommige mensen iets beter weten dan anderen.

Actueel debat
Het debat over een nieuwe kloof in de samenleving is actueel en houdt menig maatschappelijk geëngageerde bezig. We dachten dat na de ontzuiling de gehele maatschappij geëmancipeerd was en dat we ons niet meer druk hoefden te maken over verschillen tussen mensen – het integratiedebat daargelaten, een klein detail. Wat maakt dat de verschillen in opleiding in onze samenleving ons nu zo bezig houden?

In december 2010 verscheen het boek Diplomademocratie. Over de spanning tussen meritocratie en democratie van Mark Bovens en Anchrit Wille. In het boek betogen de schrijvers dat er voor laagopgeleiden steeds minder ruimte is gekomen in het bestuur van Nederland. De meerderheid in de Tweede Kamer na de verkiezingen van 2010 is hoogopgeleid, uitkomst van een trend van steeds meer hoger dan lager opgeleiden in de politiek sinds de jaren 1970. Volgens Bovens en Wille is opleiding de nieuwe maatschappelijke verzuiling: mensen met verschillende opleidingen wonen in andere wijken, brengen hun kinderen naar andere scholen en vullen hun vrijetijdsbesteding anders in. En deze kloof wordt almaar groter.

Problematisch wordt het wanneer de hoogopgeleide volksvertegenwoordiger de belangen van de laagopgeleide burger vertegenwoordigt. Bovens en Wille tonen aan dat laagopgeleiden meer belang hechten aan veiligheid en de bestrijding van criminaliteit, terwijl hoogopgeleiden gezondheidszorg en normen en waarden hoger waarderen. Daarnaast blijkt dat er onder de hoogopgeleiden een hogere opkomst is bij verkiezingen, hoewel dit verschil vooral zichtbaar is bij Europese of regionale verkiezingen. De vertegenwoordigers die dan worden gekozen zullen waarschijnlijk eerder de belangen van de hoger dan van de lager opgeleiden vertegenwoordigen. Uitkomst is dat laagopgeleiden zich in steeds mindere mate vertegenwoordigd voelen door de politiek en dat heeft volgens de auteurs geleid tot de opkomst van populistische politieke partijen die zich juist richten op de stem van de gewone Nederlander. De auteurs vrezen dat als de diplomademocratie zich in stand houdt, populistische partijen een anti-democratisch karakter zullen krijgen. Het is volgens hen dus van groot belang dat hier verandering in komt.

Waar Bovens en Wille bepleiten dat de kloof in de Nederlandse samenleving steeds groter wordt, beargumenteren politicologen Armen Hakhverdian, Catherine de Vries en Wouter van der Brug dat deze kloof juist aan het slinken is. Volgens hen tonen laagopgeleiden steeds meer interesse in politiek en neemt de interesse van hoogopgeleiden langzamerhand wat af. Een belangrijke factor voor deze interesse is volgens de politicologen de opkomst van populistische politieke partijen, de opkomst die volgens Bovens en Wille weer werd veroorzaakt door de verminderde vertegenwoordiging van laagopgeleiden.

En hier wringt de schoen. Het parlement wordt voor het overgrote deel bevolkt door hoogopgeleiden en bij verkiezingen stemmen gemiddeld nog altijd meer hoogopgeleiden dan laagopgeleiden. Tegelijkertijd groeit de interesse in politiek van laagopgeleiden, maar zien ze dat onderwerpen waar zij belang aan hechten minder aandacht krijgen dan andere onderwerpen. Dit maakt dat zij zich ondervertegenwoordigd voelen en zich weer meer gaan interesseren in de politiek zoals populistische partijen die voeren. Het toenemende vertrouwen van laagopgeleiden in populistische partijen stemt hoogopgeleiden ongerust: waar zij voorheen de volonté générale belichaamden of vertegenwoordigden, is er nu steeds meer plaats voor – wat met een laatdunkend woord wordt genoemd –  onderbuikgevoelens. Steeds meer komt het besef dat lager opgeleiden wat anders verwachten van politiek dan hoogopgeleiden. Daarmee rekening moeten houden maakt een democratie voor sommigen te ingewikkeld.

Dilemma
Het politieke en maatschappelijke debat werd  vooral voor de jaren 1970 maar ook geruime tijd daarna gedomineerd door een relatief homogene groep hoger opgeleiden die de gehele bevolking vertegenwoordigden. Nu ook lager opgeleiden zich interesseren voor dit debat worden verschillen ineens zichtbaar, terwijl het expliciteren van verschillen een taboe blijft. Af en toe grapt iemand over een nieuw soort censuskiesrecht waarbij je stemrecht afhangt van je opleiding. Hoe grappig ook bedoeld, onbewust spreken mensen de angst uit voor een landsbestuur dat wordt gedomineerd door mensen met een lagere opleiding. Het gaat tegen de idealen van GroenLinks in om te stellen dat een bepaalde bevolkingsgroep iets beter weet dan een andere groep, maar toch wordt het standpunt over referenda door de leden van de partij weggestemd. Er bestaat wel degelijk twijfel over de kennis en kunde van de Nederlandse bevolking in zijn geheel, hoe ongemakkelijk we ons bij deze conclusie ook voelen.

Mag je dan geen Jong Wetenschappelijk Bureau oprichten, alleen voor hoger opgeleiden? Mijns inziens is er geen enkele reden om krampachtig te doen over onderscheid in opleiding op het vlak van wetenschap en onderzoek. Het antwoord op deze vraag is mijns inziens dan ook een volmondig ‘ja’. Het alleenrecht op debat van hoogopgeleiden is echter definitief verleden tijd. Dat maakt maatschappelijk en politiek debat op het eerste gezicht moeilijker, maar ook interessanter doordat nu daadwerkelijk alle stemmen van de bevolking een plek gaan krijgen. Het doorbreken van het taboe is een eerste stap naar het dichten van de maatschappelijke kloof.

Dieuwertje ten Brinke (1988) is parlementair historicus en is momenteel bezig met het opzetten van het Jong Wetenschappelijk Bureau van GroenLinks.

 

Bronnen:

-         M. Bovens en A. Wille, ‘De tweedeling tussen hoger en lager opgeleiden’ in: Sociale vraagstukken (8 december 2010, http://www.socialevraagstukken.nl/site/?p=1508) (Geraadpleegd op 14 mei 2011).

-         A. Hakhverdian e.a., ‘Kloof laag- en hoogopgeleiden wordt juist kleiner’ in: Sociale vraagstukken (10 februari 2011, http://www.socialevraagstukken.nl/site/?p=1748) (Geraadpleegd op 14 mei 2011).

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>