Diagnose: narcisme. Een oproep voor nieuwe rituelen

Renée Frissen

Hoogopgeleiden lijken in toenemende mate een obsessie met zichzelf te hebben ontwikkeld. Die obsessie krijgt vorm in talloze clubjes waarin goedgeklede kritische jongeren zich zuchtend afvragen wie zij nu eigenlijk zijn. Een groep slimme marketeers buit dit zelfbeklag uit door er generatiecommercie aan te verbinden. De term generatie is in dit geval echter misplaatst  en roept een vals gevoel van gedeelde identiteit op. Daarom wil ik duidelijk definiëren om wie het mij gaat: de selecte groep fortuinlijke jongeren in Nederland met veel kansen en veel aangepraat leed. Om die groep, mijn groep, maak ik me zorgen.

Wij jongeren groeien op in een tijd waarin veel van ons wordt gevraagd. Alle pijlen staan gericht op de droombaan of droomtoekomst die wij moeten en zullen bemachtigen. Hoe hoger de opleiding, hoe beter. Hoe voller het CV, hoe hoger het salaris. De onschuldig klinkende vraag ‘wat wil je worden als je later groot bent?’ wordt steeds vroeger en indringender gesteld. Van ons wordt verwacht dat we weten wat we willen, waarom we dit willen, en op welke manier we dit denken te gaan bereiken. Geen opgelegde keuzes of traditionele opvolgingen, maar totale keuzevrijheid. Die vrijheid leidt inmiddels zelfs tot quarter life crises. Als we de media mogen geloven, is er een groeiende groep jongeren die plots verkrampen en op een dag niet meer uit bed willen komen. Deze jongeren krijgen zoveel kansen, maar daarbij ook zoveel keuzes dat ze niet meer weten wat ze nu echt willen. Want het is van het uiterste belang dat de keuze die jij maakt een ultieme keuze is: je moet immers tot de top gaan behoren. En dan natuurlijk wel met iets wat je echt leuk vindt, want zo hebben je ouders je nu eenmaal opgevoed. Ik wil het verschijnsel van de burn out op jonge leeftijd of de quarter life crisis in geen geval bagatelliseren. Ik vind het echter wel zorgelijk, en typerend, dat er zoveel aandacht voor is.

Behalve met deze prestatiepressie groeien wij op met een overdosis aan reflectievermogen. Op elke universiteit en hogeschool krijgen studenten werkcolleges waarin ze elkaar tot vervelens toe moeten beoordelen en waar ze – uiteraard vriendelijk geformuleerd in een ‘complimentensandwich’ – constructief feedback leren geven. Het lijkt er om te gaan dat de student zich zo volledig en professioneel mogelijk inzet om het beste uit zichzelf als potentieel werknemer te halen. En graag rap een beetje, want tijd is geld. Het reflectievermogen staat volledig ten dienste van een bureaucratisch proces met als ultiem doel de student zo efficiënt mogelijk de arbeidsmarkt op te sturen. Studenten van het HBO die bij mij stage lopen mailen mij bij aanvang ‘ontwikkelingsdocumenten’ met 116 competenties die ze aan het einde van hun opleiding moeten beheersen; of ik met hen even een selectie wil maken van de competenties die ze bij mijn instituut kunnen ontwikkelen.

Ondanks het feit dat Nederland zich al vijftien jaar afvraagt wie  ‘wij’ nu eigenlijk zijn, wordt het aangeleerde reflectievermogen in het onderwijs haast zonder uitzondering ingezet om ons tot glanzende werknemer, of – liever nog – manager, te boetseren. We zijn ons wel bewust van de dingen om ons heen, maar we zijn ons nog bewuster van de vraag wat wij moeten worden.

Maatschappelijke ontwikkelingen gaan natuurlijk niet aan ons voorbij. Facebook en Twitter organiseren ‘vind-ik-leuk’ engagement. Via slacktivism kunnen wij ons met één druk op de knop bezorgd of misschien zelfs wel een beetje boos tonen over een warlord die kinderen ronselt voor zijn leger in Afrika. Gaan we een stapje verder dan doneren we wat geld en houden we daar ook nog een leuk kledingstuk aan over, waarmee we onze betrokkenheid als een merk op de buik kunnen dragen. Maar als dit ‘fastfoodactivisme’ niet bevredigt en we meer willen doen, blijkt dat we eigenlijk niet zo goed weten hoe we ons moeten uiten. Wij zijn fanatiek op zoek naar eigen – liefst ‘authentieke’ – vormen van protest, maar als het er op aan komt, kiezen we steeds weer de vormen die we kennen van onze ouders of die we met nauw verholen jaloezie zien op pleinen in Arabische landen. Daaruit blijkt een krampachtige verhouding met actuele problemen in Nederland. Die lijken zich minder te lenen voor de spandoeken van een maatschappelijke revolutie, hoe graag we ons ook een eigen Tahirplein wensen. De Mars der Beschaving is een uitgelezen voorbeeld. Vurig van emotie (oprecht, heb ik van nabij gezien)  toog een groep voornamelijk jonge kunstenaars naar het Malieveld. De pretentieuze benaming wil ik ze nog wel vergeven, maar niet de ontbrekende connectie met de samenleving die het programma en de daarvoor gekozen vorm lieten zien. Terwijl beelden maken nota bene hun vak is, spraken de kunstenaars de beeldtaal van de gemediatiseerde samenleving niet. Het was een in zichzelf gekeerd protest.

Dat er wel naar nieuwe vormen wordt gezocht, blijkt uit de recent door Sywert van Lienden (1990) opgerichte politieke jongerenbeweging G500. Ondanks de in mijn ogen principieel bezwaarlijke vorm die de beweging kiest (niet alleen is de beoogde verandering volledig binnen het door hen als falend gedefinieerde partijpolitieke systeem gedacht, maar bovendien is ze volstrekt apolitiek) is ze wel een van de weinige groepen die daadwerkelijk verandering probeert te bewerkstelligen. Denktank Prospect van de bevlogen Joop Hazenberg (1978) is nog zo’n voorbeeld. Echter, zoals Hazenberg in zijn lezenswaardige boek Change schrijft, valt het niet alleen ontzettend tegen om gearriveerd Nederland te committeren aan het project, het is bovendien moeilijk om jongeren langer dan een paar maanden geïnteresseerd en actief te houden voor de denktank. De wil is er wel, maar er komt weinig van de grond: ‘Er is veel behoefte aan visie en verandering in Nederland, maar hiervoor de pen pakken blijft moeilijk en eng. Onze generatie wil ondanks alle technologische mogelijkheden vooral real life brainstormen.’[2]

Ik maak me daarom zorgen over het onvermogen van de groep jongeren, die geboren is met talent en in een fortuinlijke situatie, om de blik naar de samenleving te openen en de verantwoordelijkheden aan te gaan die al dat aangeboren geluk met zich brengt. We zijn zo zeer met onszelf bezig dat we maar geen tijd vinden om ons effectief druk te maken over prangende zaken dichtbij huis. Het is natuurlijk ook gemakkelijker om een digitale handtekening te zetten onder een petitie van Avaaz.org of om tussen twee opleidingen in voor veel geld vrijwilligerswerk te doen in een weeshuis in Vietnam voor wat extra ervaring op het CV, of om wat extra euro’s voor een organic koffie neer te leggen om al consumerend ethisch verantwoord gedrag te tonen. Echter, ik zie niet vaak  dat dit vluchtige multitasking engagement zich vertaalt in betrokkenheid bij ontwikkelingen in eigen land. En aan zorgwekkende ontwikkelingen geen gebrek zou ik zeggen.

Het democratische stelsel staat onder druk. Ons maatschappelijke midden raakt na de ontzuiling meer en meer door subsidieafhankelijkheid uitgehold. Onder onze publieke intellectuelen verstaan we de mensen die aanschuiven bij De Wereld Draait Door. De door de incestueuze publicatiemaffia doorgeslagen Diederik Stapel bepaalt het gezicht van de wetenschap. We huilen om Mauro, maar koppelen dit niet aan de vraag wat een Mauro eigenlijk zegt over de wetgeving in Nederland. We eisen van nieuwkomers dat ze onze taal spreken, terwijl de bestuurders van ons land zich het liefst uitdrukken in Engelse managementtaal. We hebben Bill Gates nodig om het nut van ontwikkelingshulp te verdedigen. In de naam van veiligheid verandert onze publieke ruimte in een Big Brother huiskamer. PGB’ers noemen we subsidieslurpers. Ministers voeren even gemakkelijk beleid van een gedoogpartner uit als dat ze dat weer verwerpen, omdat het eigenlijk toch tegen hun principes in gaat. Een groep ontevreden Nederlanders wendt zich tot populisten. De ex-voorzitter van een gezaghebbende raad vindt het aanvaardbaar om ongeschikte moeders uit veiligheidsoverwegingen verplichte anticonceptie toe te dienen. Diezelfde raad stelt dat eigenlijk voor elke toekomstige ouder een risicoprofiel zou moeten worden gemaakt. De lijst van voorbeelden is schier eindeloos.

Engagement zou welkom zijn. Sterker nog: talent verplicht daartoe. Natuurlijk, de grote woorden en concepten die kunnen verklaren waarom we staan waar we vandaag staan ontbreken niet: globalisering, individualisering, mediacratisering en wat al niet. Als dat niet helpt, kunnen we nog wijzen op de blokkades die de generaties boven ons opwerpen op de markten van pensioenen, wonen en carrières. Met gemak proclameren we een generatiecrisis. Maar dit ontslaat ons niet van de verantwoordelijkheid iets te doen. Juist omdat we fortuinlijk zijn geboren en zoveel reflectievermogen hebben aangeleerd, moeten we ons niet (laten) reduceren tot arbeidskrachten. Juist omdat we zoveel kunnen, mogen, willen en moeten, verbaast het mij hoe weinig jongeren hun kennis en kunnen ten goede laten komen van een vitale en sociale samenleving zonder het verstikkende paternalisme van de overheid.

Regisseur Casper Vanderputte (1985) die dit theaterseizoen de prachtige en schrijnende voorstelling De ziekte die jeugd heet opvoerde, stelt in een interview dat er geen rituelen meer zijn die ons leren om over grote vragen na te denken en onszelf te verhouden tot de maatschappij. Het wordt hoog tijd dat we op zoek gaan naar nieuwe rituelen. Er is genoeg inhoud, nu nog de vormen die passen bij ons en bij onze tijd.

Renée Frissen (1984) is onderzoekster, buiten-promovenda, en oprichtster van ‘Het Ministerie van…’, een nomadisch platform voor jonge mensen die vanuit maatschappelijk engagement ideeën ten uitvoer willen brengen.



[1] Dit betoog is gebaseerd op een column die werd uitgesproken naar aanleiding van de voorstelling De ziekte die jeugd heet, een bewerking van de gelijknamige tekst geschreven door Ferdinand Bruckner (29 maart 2012, Toneelschuur producties, regie: Casper Vanderputten).

[2] J. Hazenberg. Change. Hoe de netwerkgeneratie Nederland gaat veroveren (Amsterdam 2009) 133.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>