De vrijheid van Democratie

Wouter Capitain

De term democratie wordt doorgaans direct of indirect in verband gebracht met vrijheid. Niet alleen lijken deze twee concepten vaak met elkaar samen te gaan, maar wordt ook een onderlinge afhankelijkheid verondersteld waarbij de mate van vrijheid een essentieel of zelfs bepalend criterium is voor een democratie. De specifieke relatie tussen democratie en vrijheid wordt echter vaak onvoldoende uitgewerkt.

In dit essay wordt betoogd dat democratie afhankelijk is van vrijheid. Het gaat hier echter om een hele specifieke vorm van vrijheid: de vrijheid van de bevolking om te kunnen kiezen welke vrijheden ze wil opgeven. Voordat dit specifieke aspect van democratie wordt geanalyseerd, is het noodzakelijk om op de relatie tussen de staat, als ordening van het collectief, en individuele vrijheid in te gaan. Hierbij dient te worden vermeld dat dit essay niet een exclusieve definitie van het concept democratie nastreeft. Wel is het een interpretatie waarvoor onvoldoende aandacht is, en één die hopelijk de potentie bezit om andere invullingen scherper te formuleren.

Vrijheid, veiligheid en de staat
In de eerste editie van Volonté Générale beschouwt Martijn van den Boom democratie als een kwaliteit waarmee burgers invloed kunnen uitoefenen op besluitvorming.[1] De mate van deze invloed is bepalend voor het ‘democratisch gehalte’ van de maatschappij. Hij wijst er terecht op dat democratie vaak als overkoepelende term wordt gebruikt voor ‘liberale waarden’ enerzijds en een ‘democratische rechtsstaat’ anderzijds, iets wat de gradaties van het concept enigszins doet vertroebelen. Daarom pleit hij voor het isoleren van de rechtsvorm – het instrumentele onderdeel van de democratie – om deze nader te bestuderen.

Democratie, naast de enge betekenis als rechtssysteem, wordt inderdaad vaak verbonden aan liberale waarden – een ideaal dat ik vrijheid noem en waarvan ‘vrijheid van meningsuiting’ en ‘godsdienstvrijheid’, zoals door Van den Boom genoemd, voorbeelden zijn. Naar mijn mening zijn het instrumentele onderdeel en de liberale waarden die aan democratie worden toebedeeld inderdaad niet gelijk aan elkaar, maar zijn ze ook niet geheel van elkaar te isoleren. De verwarring omtrent het begrip democratie kan juist worden opgehelderd wanneer we de relatie tussen het rechtssysteem en het vrijheidsideaal bestuderen. Vanuit deze benadering wordt het duidelijk dat democratie in de enge zin wel samengaat met vrijheid, maar dat dit een zeer specifieke vorm van vrijheid is, één die (althans in theorie) niets te maken heeft met bijvoorbeeld de vrijheid van meningsuiting.

Zoals Michel Foucault beschrijft, verhoudt vrijheid zich binnen een staat altijd tot veiligheid: ‘The problem of security is the protection of the collective interest against individual interests. Conversely, individual interests have to be protected against everything that could be seen as an encroachment of the collective interest.’[2] De staat stelt zichzelf continu de vraag welke individuele vrijheden ingeleverd dienen te worden om de collectieve veiligheid te waarborgen. Vervolgens worden wetten opgesteld om dit te verwezenlijken. Vrijwel elke wet is vanuit deze spanning tussen vrijheid en veiligheid te bestuderen. Deze begrippen dienen in de meest ruime zin te worden opgevat. Dit omvat onder meer financiële veiligheid (AOW, WW, etc.) waarvoor door middel van belastingen een bepaalde groep (werkende) mensen minder vrijheid heeft in het besteden van het verdiende geld. In zekere zin beperkt elke wet een bepaalde vrijheid waarmee een veiligheid kan worden gerealiseerd.

Voor Foucault is deze spanning karakteristiek voor het liberale rechtssysteem zoals dat zich in de achttiende eeuw ontwikkelde. Hij beschrijft hoe voordien veiligheid werd gegarandeerd door de heerser. Deze vorm van bescherming noemt Foucault ‘extern’, omdat de heerser het beleid legitimeert op basis van de (veelal religieuze) oorsprong van een bepaald recht. Liberalisme, daarentegen:

considers them in terms of their effects rather than their origins, not by asking, for example, what authorizes a sovereign to raise taxes, but by asking, quite simply: What will happen if, at a given moment, we raise a tax on a particular category of persons or a particular category of goods? What matters is not whether or not this is legitimate in terms of law, but what its effects are and whether they are negative.[3]

 Een scherp contrast tussen een ‘intern’ en ‘extern’ beleid is echter niet houdbaar. Wanneer wordt aangenomen dat ‘externe’ wetten uitsluitend functioneren op basis van een (religieuze) oorsprong kunnen de enorme historische en geografische verschillen tussen staten die gebruik maken van dezelfde bronnen – denk aan de Bijbel of de Koran – niet worden verklaard. Het is aannemelijker dat deze bronnen werden geselecteerd op basis van hun effectiviteit, waarbij vragen zijn gesteld naar de toepasbaarheid van het Oude of Nieuwe Testament en keuzes zijn gemaakt in het gebruik van bepaalde passages, interpretaties en vertalingen. Dit proces is vergelijkbaar met seculiere beleidsvorming die wetenschappelijk onderzoek selecteert voordat het dit toepast in het rechtssysteem. In beide gevallen vormen de bronnen geen neutraal gegeven van waaruit een beleid voortkomt, maar worden ze geselecteerd door het beleid alvorens ze worden ingezet als legitimering daarvan. Om die reden is er geen fundamenteel onderscheid tussen een ‘intern’ en ‘extern’ beleid, en hoeft het belang van effectiviteit en de spanning tussen vrijheid en veiligheid zich niet te beperken tot liberale systemen.

Karakteristiek voor de liberale rechtsstaat is echter dat het zichzelf vanuit idealistische motivatie bewust tracht te beperken in haar machten, waar andere vormen van beleid dit doorgaans uitsluitend doen vanuit praktische overwegingen. De wet van ‘vrijheid van meningsuiting’ is hier een duidelijk voorbeeld van. Echter, omdat deze wet niet stelt dat je een mening mag uiten, maar dat je niet zal worden vervolgd voor het uiten van een mening, richt ook deze wet zich op veiligheid in plaats van op vrijheid. Ook voor deze wet geldt dat ze slechts in werking zal zijn wanneer dit bepaalde vrijheden niet teveel inperkt (wat in theorie wel zou kunnen) en zodra het als voldoende effectief wordt geacht (wat nu wordt betwist). Om die reden is er, wanneer rechtssystemen worden beschouwd vanuit de spanning tussen vrijheid en veiligheid, geen fundamenteel onderscheid tussen verschillende vormen van overheid. Deze spanning is in principe altijd aanwezig in beleidsvorming.

Democratie en vrijheid
In de vorige paragraaf is besproken hoe rechtssystemen in essentie functioneren op basis van een spanning tussen vrijheid en veiligheid. In democratie is deze spanning evengoed van kracht, hoewel dit zich voltrekt volgens een enigszins paradoxaal proces: de bevolking krijgt een vrijheid toegewezen waarmee kan worden bepaald welke vrijheden worden ingeleverd ten goede van bepaalde veiligheden. Vanuit dit perspectief gaat democratie samen met vrijheid, hetzij in een zeer specifieke vorm.

Dit karakteristieke aspect van democratie hoeft er in principe niet toe te leiden dat er in de samenleving meer vrijheid ontstaat. In theorie heeft de bevolking de vrijheid om ervoor te kiezen elke vorm van vrijheid, inclusief die van het kiesrecht, in te leveren voor meer veiligheid. Dit verklaart waarom enkele ‘nieuwe democratieën’, zoals die in Volonté Générale zijn besproken door Mike van de Weijer, tegen de verwachting in misschien weinig waarde hechten aan bepaalde vrijheden – vooral die van minderheden – en de invoering van dit rechtssysteem in sommige gevallen tot meer onvrijheden heeft geleid.[4] Ditzelfde geldt bijvoorbeeld voor de huidige politieke situatie in Israël en Palestina en die in verschillende landen in Europa in de jaren 1930 en 1940, waar democratische rechtssystemen uiterst ver zijn gegaan in het onderdrukken van vrijheden.

Uit het voorgaande wordt al duidelijk waarom democratie soms, vooral met betrekking tot minderheden, kan leiden tot minder vrijheid. De groep stemgerechtigden, bijvoorbeeld mensen ouder dan achttien jaar met een Nederlands paspoort, komt vrijwel nooit exact overeen met de groep over wiens vrijheid of veiligheid wordt besloten. Elke wet richt zich op een op een specifieke groep – automobilisten, huismoeders, belastingbetalers, 65-plussers, inwoners van de EU, etc. – die een vrijheid dient in te leveren of voor wie een veiligheid wordt gegarandeerd. Bijvoorbeeld: de AOW-regeling beperkt de vrijheid van de belastingbetalers, garandeert de financiële zekerheid van 65-plussers, terwijl de groep die daarover beslist uit iedereen boven de achttien met een Nederlands paspoort bestaat. Slechts in theorie is het mogelijk dat deze drie groepen – de groep die vrijheid dient in te leveren, wiens veiligheid wordt nagestreefd en de stemgerechtigden – geheel met elkaar overeen komen. Echter, in de praktijk beslissen stemgerechtigden vaak over de vrijheden en veiligheden van andere groepen (asielzoekers, kinderen), en mag ik een oordeel leveren over groepen waar ik mezelf niet toe reken (65-plussers, automobilisten, huismoeders).

De groepen waarover hier wordt gesproken dienen, net als de begrippen vrijheid en veiligheid, in de breedste zin te worden opgevat. Ze hoeven niet per definitie te bestaan uit mensen, maar kunnen zelfs worden gevormd door dieren. In de recent ter discussie gebrachte wet tegen onverdoofd (ritueel) slachten is godsdienstvrijheid – of in ieder geval de vrijheid om te kiezen wat je eet – in het geding, waarmee de veiligheid van bepaalde dieren wordt nagestreefd. Een grote groep mensen beslist, direct of indirect, over de vrijheid van een relatief kleine groep gelovigen enerzijds en over de veiligheid van dieren die zelf helemaal niets in te brengen hebben anderzijds.

Doorgaans voltrekt het besluitvormingsproces zich indirect, aangezien in democratische rechtssystemen meestal (met uitzondering van referenda) wordt gestemd op vertegenwoordigers en niet op wetten. Dit zou op zichzelf het principe niet aantasten, zij het niet dat deze vertegenwoordigers verschillende groepen representeren – mensen stemmen vanuit verschillende overwegingen op een partij – waarbij belangenverstrengelingen kunnen ontstaan, bijvoorbeeld wanneer een partij zichzelf presenteert als de vertegenwoordiger van zowel de groep wiens vrijheid wordt ingeperkt als de groep van wie de veiligheid wordt gewaarborgd. Hoewel hierdoor de spanning tussen vrijheid en veiligheid complexer wordt, blijft dit aspect ook binnen een democratie duidelijk zichtbaar wanneer individuele wetten worden geanalyseerd.

Conclusie
In dit essay is beleidsvorming geïnterpreteerd als een spanning tussen vrijheid enerzijds en veiligheid anderzijds. Dit proces is, in tegenstelling tot de veronderstelling van Michel Foucault, niet karakteristiek voor liberale rechtssystemen, maar is van toepassing binnen elke staatsvorm. Dit geldt ook voor een democratie, hoewel daarbij een zeer specifieke vrijheid wordt gecreëerd, namelijk de vrijheid van de bevolking om te kiezen welke vrijheden ze wil opgeven. Democratie vertoont daarmee wel trekken van liberale idealen, maar staat daar niet aan gelijk. In sommige gevallen kan democratie er zelfs toe leiden dat vrijheden sterk worden ingeperkt, in het bijzonder met betrekking tot minderheden. Dit doet echter niets af aan het principe van democratie als rechtssysteem: de vrijheid om te kiezen welke vrijheden worden ingeleverd.

In de praktijk blijkt dat de spanning tussen vrijheid en veiligheid complexer is binnen een democratie. Dit wordt veroorzaakt doordat een groep die in staat wordt gesteld te besluiten over een wet, over het algemeen niet overeenkomt met de groepen waarvan de veiligheid en vrijheid wordt bediscussieerd. Bovendien wordt doorgaans niet direct op wetten gestemd, maar op vertegenwoordigers die vaak verschillende groepen trachten te representeren. Desondanks kan ook hier dit model van spanning tussen vrijheid en veiligheid worden toegepast, zij het in een meer gecompliceerde vorm.

 De keuze om beleidsvorming tot stand te laten komen door democratie is, zoals dat geldt voor elke rechtssysteem, afhankelijk van de effectiviteit ervan. In theorie is het mogelijk dat met democratie de vrijheid om te kiezen welke vrijheden worden ingeleverd zelf wordt ingeleverd; democratie kan zichzelf wegstemmen. In de praktijk zal dit vooral modificaties binnen het rechtssysteem betreffen, die verder niets afdoen aan deze specifieke vrijheid van democratie. Het is hierbij belangrijk om in acht te nemen dat dit proces geen perfectionering van democratie is, maar dat de effectiviteit van een systeem en de spanning tussen vrijheid en veiligheid altijd plaats- en tijdgebonden is. Democratie is daarom, net als elk ander rechtssysteem, geen doel op zich maar een middel om zo effectief mogelijk binnen deze spanning te bemiddelen.

Wouter Capitain (1985) is muziekwetenschapper en volgt momenteel de onderzoeksmaster Kunstwetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam.



[1] M. van den Boom, ‘Educatie en piramides’, Volonté Générale n°1 (2011) 16-21, beschikbaar via http://www.volontegenerale.nl/post/5543334625/volonte-generale-2011-1 (geraadpleegd op 3 november 2011).

[2] M. Foucault, The Birth of Biopolitics: Lectures at the Collège de France 1978-1979 (New York 2010) 65.

[3] Ibidem, 15; Foucault spreekt in deze passage eigenlijk nog niet van ‘liberalism’ (de term wordt pas op pagina 20 wordt geïntroduceerd), maar van ‘political economy’, een begrip dat voor hem sterk met het liberalisme samenhangt, maar zich beperkt tot economische kwesties. Over de ‘externe’ legitimering van het beleid, zie pp. 6-13.

[4] M. van de Weijer, ‘De Arabische Lente is (nog) geen feest van de democratie’, Volonté Générale n°2 (2011) 36, beschikbaar via http://www.volontegenerale.nl/post/9833729290/vg01-2 (geraadpleegd op 3 november 2011).

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>