De verkiezingen in Duitsland: een analyse

Sven Bergmann

De groeiende betekenis die Duitsland op het Europese toneel inmiddels wordt toegekend leidde ertoe dat de Bondsdagverkiezingen op 22 september 2013  nauwkeurig gevolgd werden. In de eerste plaats geldt dat voor de crisislanden in het zuiden van Europa die Duitsland veelal verantwoordelijk stellen voor de aan hen opgelegde bezuinigingen. Maar ook landen als Groot-Brittannië, Frankrijk en Nederland schonken aandacht aan de race tussen Bondskanselier Angela Merkel en haar uitdager Peer Steinbrück.

De berichtgeving in de media nam echter in veel gevallen genoegen met de constatering dat Merkel de grote winnares zou zijn. Voor het Spaanse dagblag El Mundo was Merkels overwinning “historisch” en een “aardeverschuiving”. De Britse Guardian vond dat Merkel door de kiezers “overmachtigend beloond” werd. De Franse Le Figaro noemde de uitslag van de verkiezingen zelfs een ‘Merkel plébescitée’ en ook de NOS sprak euforisch van een ‘Monsterzege voor Merkel.’[1]

Bij nader inzien blijkt echter dat de uitslag van de Duitse verkiezingen minder eenvoudig is en gedifferentieerder bekeken moet worden. In dit artikel wil ik daarom een diepere duiding en analyse van de Bondsdagverkiezingen geven. Daarvoor zal ik eerst op de verkiezingsstrijd ingaan voordat ik op de uitslag zelf en de kabinetsformatie tot dusverre te spreken kom. Aan het einde zal ik op de gevolgen van de verkiezingen ingaan, zowel voor Duitsland zelf als voor Europa.

De verkiezingsstrijd
De verkiezingen in 2013 waren, zoals meestal in Duitsland, een strijd tussen twee kampen. Aan de ene kant stonden Merkels christendemocraten en de liberale FDP die samen het kabinet Merkel II uitmaakten. Daartegenover stond een linkse oppositie bestaande uit de sociaaldemocratische SPD, de Groenen en de populistische partij Die Linke. Daarbij kwam als nieuwkomer de in 2013 opgerichte euro-kritische AfD (Alternative für Deutschland).

Ondanks de grote vraagstukken die op dit moment in Europa spelen bleef de campagne lange tijd onverwacht rustig en zelfs inhoudsloos. Politieke waarnemers in binnen- en buitenland vroegen zich af waar de verkiezingen eigenlijk over gingen. Dit kan door een drietal redenen worden verklaard. Ten eerste praktiseert Merkel al langer wat politicologen met de term ‘asymmetrische demobilisatie’ aanduiden. Hiermee wordt een politieke strategie bedoeld waarbij een politicus vermijdt in controversiële vraagstukken een duidelijk standpunt in te nemen. Vervolgens wordt het voor politieke tegenstanders lastiger hun achterban te mobiliseren. Sinds Merkel in 2005 bondskanselier werd, heeft zij deze strategie succesvol toegepast. In de praktijk komt het erop neer dat ze zich met de dagelijkse binnenlandse politiek weinig bemoeit en zich vaak van commentaar onthoudt. Voor de oppositiepartijen biedt dit weinig kansen om haar aan te vallen.

Ten tweede is Merkel  – rekening houdend met de publieke opinie – niet bang om ideeën van andere partijen over te nemen. Toen na de kernramp in Fukushima bleek dat veel Duitsers een einde van de kernenergie wenselijk vonden, besloot Merkels regering dat in 2022 de laatste Duitse kerncentrale stilgelegd zal worden. Dit was opmerkelijk, aangezien hetzelfde kabinet vlak na zijn aantreden in 2009 nog besloot dat de kerncentrales in Duitsland juist langer mochten doorgaan. In 2011 stelde zich Merkel bovendien open voor wettelijke loonondergrenzen wat ook een ommekeer betekende.  Op die manier heeft de Bondskanselier twee centrale thema´s van de oppositie overgenomen. Dientengevolge werd het voornamelijk voor SPD en Groenen moeilijker zich van Merkels christendemocraten te onderscheiden. Een scherpe campagne die duidelijke verschillen tussen regering en oppositie benadrukt, lag dus minder voor de hand.

Ten  derde moet worden gewezen op de gunstige economische uitgangspositie van Duitsland. In tegenstelling tot veel andere Europese landen wordt Duitsland tot nu toe nauwelijks geraakt door de schuldencrisis. Dit leidde tot grote tevredenheid bij veel kiezers. Uit peilingen bleek bijvoorbeeld dat 76 procent hun persoonlijke economische situatie als goed of zelfs zeer goed beoordeelden.[2] Het thema sociale rechtvaardigheid, waarmee de linkse partijen probeerden te scoren, wilde bij veel kiezers daarom niet blijven hangen.

Meer beweging kreeg de campagne pas met het tv-debat tussen Merkel en SPD-lijsttrekker Steinbrück op 1 september en het debat tussen de vertegenwoordigers van Groenen, FDP en Die Linke de dag daarop. De meest bediscussieerde thema´s waren daarbij minimumloon, pensioen, energiebeleid, euroredding, het NSA-afluisterschandaal en Syrië. Volgens het oordeel van de meeste journalisten kwam Steinbrück overtuigender over, terwijl Merkel nu voor het eerst gedwongen werd duidelijker antwoord te geven op belangrijke vragen. Na de debatten gingen de peilingen voor de SPD dan ook licht omhoog, wat echter niet veel veranderde aan de grote voorsprong van de christendemocraten. Dat Merkels partij de grootste zou worden, was dan ook geen punt van discussie meer. Interessanter was de vraag of Merkels liberale coalitiepartner de kiesdrempel van vijf procent zou halen en hoe goed de AfD het zou doen.

Ondertussen rees de vraag hoe groot de opkomst bij de verkiezingen zou worden. Aanleiding hiervoor gaf het onderzoeksrapport Gespaltene Demokratie, dat de Bertelsmann stichting tijdens de campagne publiceerde. Hieruit bleek dat de opkomst sinds de jaren 1980 steeds meer is gedaald en verder zal dalen. De oorzaak hiervan was volgens de onderzoekers echter geen algemene ontevredenheid over de democratie en het politieke bestel als zodanig. De dalende participatie hing veel eerder samen met een groeiende onverschilligheid bij de sociale onderklasse. Gaf 68 procent van de bovenlaag aan zeker te willen stemmen, bij mensen met een laag inkomen en een lage opleiding was het maar 31 procent.[3]

Ondertussen mengde een aantal intellectuelen zich ook in het debat en noemde stemmen nutteloos. De filosoof Richard David Precht vond bijvoorbeeld dat partijen nauwelijks nog bijdragen tot de politieke meningsvorming en sprak van “zelfbehoudsystemen zonder uitwisseling met de samenleving”. Het verschil tussen stemmen en niet-stemmen zou daarom onbelangrijk zijn. Collega-filosoof Peter Sloterdijk achtte geen enkele partij verkiesbaar en de schrijver Moritz Rinke klaagde over een gebrek aan “maatschappelijke confrontaties” die het stemmen interessant zouden maken. Deze houding kreeg echter niet overal een warm onthaal. Zowel  sommige media als ook andere intellectuelen zoals de schrijver Günther Grass distantieerden zich hiervan. [4]

De verkiezingsuitslag
Zoals verwacht werd de christendemocratische CDU/CSU op 22 september met afstand de grootste fractie. Maar liefst 41,5 procent van de kiezers bracht zijn stem uit op de partij van Merkel, wat een winst van 7,7 procent betekende. De SPD kreeg er 2,7 procent bij en behaalde in totaal 25,7 procent. De Groenen en Die Linke verloren daarentegen beide en kregen respectievelijk 8,4 en 8,6 procent van de stemmen. De FDP, die bij de voorafgaande verkiezingen in 2009 nog voor 14,6 procent van de stemmen goed was, behaalde nu 4,8 procent en daarmee te weinig om in de nieuwe Bondsdag vertegenwoordigd te zijn. De euro-critici van de AfD kregen 4,7 procent van de uitgebrachte stemmen en konden evenmin op zetels in het parlement rekenen. De opkomst lag bij 71,5 procent en was daarmee 0,7 procent hoger dan bij de vorige verkiezingen. Vergeleken met de jaren `80 waar rond de 90 procent van de kiezers ging stemmen, was het echter nog steeds een relatief lage opkomst. De nieuwe Bondsdag kent vier fracties en heeft in totaal 631 leden. CDU/CSU hebben 311, de SPD 193, Die Linke 64 en de Groenen 63 zetels.

Hoe valt deze uitslag te duiden? Uit kiezersondervragingen op de dag van de verkiezingen blijkt dat de christendemocraten voor een groot deel van hun lijsttrekker profiteerden. 40 procent van de CDU/CSU-kiezers zei vanwege Merkel op deze partij te hebben gestemd. 60 procent van de Duitsers vond bovendien dat Merkel in de Eurocrisis de juiste keuzes had gemaakt. Daarnaast werden de christendemocraten op de belangrijke terreinen economie en arbeidsmarkt goed beoordeeld. In dit beeld past ook de sociale achtergrond van de kiezers die hun voorkeur aan de christendemocraten gaven. De CDU/CSU scoorde vooral bij gepensioneerden, waarvan 50 procent op de partij van Merkel stemde. Maar ook mensen met een eigen bedrijf (49 procent), ambtenaren (45 procent), ‘Angestellter’[5] (40 procent) en arbeiders (36 procent) droegen bij aan het succes van Merkels partij. Duidelijk slechter scoorde ze daarentegen bij werklozen waarvan maar 24 procent CDU/CSU stemde.[6]

Het succes van de CDU/CSU is dientengevolge op drie factoren gebaseerd: Ten eerste de populariteit van Merkel, ten tweede de tevredenheid van de (werkende) middelklasse over de economie en ten derde een nog steeds lage opkomst die voornamelijk de linkse oppositie slecht uitkomt. Vooral SPD en Die Linke slaagden er maar niet in hun achterban in voldoende mate te mobiliseren.

Anders dan de christendemocraten kon coalitiepartner FDP überhaupt niet van de relatief gunstige economische situatie profiteren. 92 procent van de ondervraagden vond dat de liberalen van haar beloftes uit 2009 bijna niets in beleid omgezet hebben en 82 procent was van mening dat deze partij zich te sterk om de welgestelden bekommert.[7] Deze waarneming gaat terug op de verkiezingsstrijd in 2009 waarin de FDP belastingverlagingen op grote schaal voorstond en daarmee en flamboyante zege behaalde. Na de verkiezingen konden de liberalen echter niet opboksen tegen minister Wolfgang Schäuble van Financiën (CDU), die begrotingsdiscipline belangrijker vond. Wat overbleef van de verkiezingsbeloften van de FDP waren belastingverlagingen voor hotelhouders. Veel FDP-stemmers vonden dan ook dat hun partij alleen voor een kleine groep opkwam en niet voor de gewone burger.

Van deze reputatieschade zou de FDP niet meer herstellen. Na een reeks slechte uitslagen bij regionale verkiezingen was de FDP nu ook op federaal niveau vernietigend verslagen. Alleen mensen met een eigen bedrijf en ‘Angestellter’ wilden de FDP nog in de Bondsdag terugzien. Bij alle andere groepen scoorden de liberalen lager dan de benodigde 5 procent.[8]

De Groenen aan hun kant schijnen voor het verkeerde programma te hebben gekozen. Met hun voorstel belastingen voor hogere inkomens te verhogen leken ze te zeer op SPD en Die Linke. Tegelijk raakte op deze manier hun kernthema millieu op de achtergrond. Tweederde van de Duitsers vond dat de Groenen met hun belastingvoorstellen kiezers verschrikt hebben. Dat verklaart dan wellicht ook dat 420 duizend Groenen-stemmers naar de CDU/CSU overstapten.[9]

Tot slot kan de AfD na de verkiezingen als een protestpartij worden gezien. Meer dan de helft van haar kiezers gaf aan in andere partijen teleurgesteld te zijn. De afkeer van de euro was voor AfD-kiezers weliswaar een belangrijk punt. Echter verwachtte 80 procent geen oplossingen van de nieuwe partij. Opvallend is dat de helft van de AfD-kiezers pas op de dag van de verkiezingen zelf of enkele dagen eerder besloot om op deze partij te stemmen.[10]

 Zou de campagne enkele weken langer hebben geduurd, dan had de AfD best in de nieuwe Bondsdag kunnen zitten. Dit vermoeden wordt bevestigd door de eerste peilingen na de verkiezingen waarbij de eurocritici inmiddels de vijf procent hebben bereikt. Howel de AfD de kiesdrempel deze keer niet gehaald heeft, waren de verkiezingen voor haar dus toch een succes, vooral als men bedenkt dat nieuwe partijen in Duitsland zelden een voet aan de grond krijgen. Of de AfD een serieuze uitdager voor de gevestigde partijen blijft, zal uit de verkiezingen die in de loop van de volgende vier jaar worden gehouden moeten blijken. De eerstvolgende test zijn de verkiezingen voor het Europees Parlement in mei 2014.

De formatie
Hoewel de christendemocraten de met afstand grootste fractie waren geworden, werd al snel duidelijk dat de weg naar een nieuw kabinet moeizaam zou zijn. Merkels partij haalde net geen absolute meerderheid en haar coalitiepartner was uit het parlement verdwenen. Aangezien SPD, Groenen en Die Linke drie zetels meer hebben dan de CDU/CSU fractie, was in theorie zelfs een kabinet buiten Merkel om mogelijk geweest. Hietoe zou het echter niet komen, vooral omdat SPD en Groenen elke samenwerking met Die Linke geheel hebben uitgesloten. Dit kan niet niet los worden gezien van het communistische verleden van Die Linke, die als SED het machtsapparaat van de DDR domineerde. Na de hereniging noemde de partij zich PDS om vervolgens in 2005 met gefrustreerde SPD-aanhangers te fuseren, waarbij voor de huidige naam werd gekozen. Ook 23 jaar na de hereniging en duidelijke programmatische veranderingen sindsdien, kleeft tot op de dag van vandaag een slecht imago aan Die Linke. Omdat ook onder veel gematigd linkse kiezers grote bedenkingen jegens Die Linke aanwezig zijn, voelen SPD en Groenen zich afgeschrikt om met deze partij in zee te gaan. In hun officiële statements laten SPD en Groenen weten de buitenlandspolitieke en sociaal-politieke ideeën van Die Linke niet acceptabel te vinden. Inderdaad keren zich de linkse populisten tegen alle militaire missies en bepleiten ze uitkeringsverhogingen op grote schaal.

Realistisch was dus alleen een ‘Grote Coalitie’ tussen CDU/CSU en SPD of een samenwerking van CDU/CSU en Groenen. Echter waren SPD noch Groenen enthousiast over deelname aan een kabinet-Merkel III, omdat de christendemocraten gezien de uitslag van de verkiezingen te sterk zouden zijn en de linkse partijen zelf weinig van hun programma´s in een regeerakkoord zouden kunnen onderbrengen. Vijf dagen na de verkiezingen besloot een partijcongres van de SPD alsnog dat in oktober verkennende gesprekken gevoerd zouden worden met de christendemocraten. Tussendoor praatten echter ook christendemocraten en Groenen met elkaar. Op 10 en 15 oktober werd gepolst of coalitieonderhandelingen zin zouden hebben. Hoewel de CDU/CSU op het gebied van asiel, staatsburgerschap, landbouw en dierenbescherming concessies deed, besloten de Groenen na afloop van de gesprekken geen formele coalitiegesprekken aan te gaan.

Sommige politieke commentatoren betreurden dit. Het liberale weekblad Die Zeit vroeg zich bijvoorbeeld af waarom de Groenen er niets in zagen om met de “groenste en liberaalste CDU ooit” een serieuze poging te doen om een kabinet te vormen.[11] Twee verklaringen bieden zich hiervoor aan. Ten eerste kan Duitsland, anders dan bijvoorbeeld Nederland, als een ‘concurrentiedemocratie’ worden getypeerd. Kenmerkend hiervoor is onder meer een strikte partijpolitieke blokvorming. Voorafgaand aan verkiezingen leggen zich partijen sterk op mogelijke coalities vast, waardoor nieuwe en creatieve coalities zelden van de grond komen. Als geen van de klassieke coalities op een parlementaire meerderheid kan rekenen, wordt meestal een Grote Coalitie gevormd. Een tweede reden is de huidige interne problematiek van de Groenen. Na de verkiezingen is als gevolg van het matige resultaat een groot deel van de top opgestapt en begonnen interne discussies over de toekomstige koers van de partij. Dit was wellicht niet het allerbeste moment voor de Groenen om coalitieonderhandelingen te voeren, laat staan met de christendemocraten.

Wat overbleef waren onderhandelingen tussen CDU/CSU en SPD. Sinds 23 oktober onderhandelden christendemocraten en sociaal-democraten over een coalitie. De eerste drie weken van de onderhandelingen verliepen stroperig en zonder vatbare resultaten. Dit veranderde na een tweede partijcongres dat de SPD van 14 tot 16 november hield en waar onder meer besloten werd dat na toekomstige verkiezingen gesprekken met Groenen en Die Linke in beginsel mogelijk zullen zijn. Sindsdien kwam meer beweging in de gesprekken tussen CDU/CSU en SPD en werden steeds meer deelakkoorden bekend.

Op 27 november werd dan uiteindelijk een coalitieakkoord gepresenteerd. Belangrijke onderdelen daarvan zijn onder meer de invoering van een wettelijk minumloon en een liberaler staatsburgerschapsrecht met meer mogelijkheden tot dubbele nationaliteiten, wat voor de SPD twee breekpunten waren. De chistendemocraten konden wederom een verhoging van de toptax verijdelen. De beierse CSU slaagde erin de opvoedingstoelage voor ouders die geen gebruik maken van kinderopvang overeind te houden en een tolgeld voor buitenlanders in het akkoord op te nemen. De SPD wil nu  een ledenraadpleging over het coaliteakkoord doorvoeren waarvan de uitslag op 14 december wordt verwacht Hier zit wel een aanzienlijk risico aan, aangezien de SPD-basis tot nu toe weinig voelt voor een samenwerking met de CDU/CSU. Indien het akkoord niet wordt aangenomen, zijn nieuwe gesprekken tussen CDU/CSU en de Groenen het meest waarschijnlijk. Echter kunnen ook nieuwe verkiezingen op dit moment niet worden uitgesloten.

Conclusie
Aan het begin van dit artikel werd de vraag gesteld in hoeverre Angela Merkel daadwerkelijk als de grote winnares van de Duitse verkiezingen op 22 september kan worden beschouwd. Op het eerste gezicht lijkt dit inderdaad het geval te zijn, aangezien 41,5 procent van de stemmen voor haar christendemocraten een goed resultaat is en zij de absolute meerderheid maar net gemist heeft. Dat Merkel nu waarschijnlijk op een derde termijn als Bondskanselier afstevent, hangt echter ook samen met een nog steeds relatief lage opkomst bij de verkiezingen en de onenigheid tussen de linkse partijen.

De gevolgen van de verkiezingen zullen voor de rest van Europa niet groot zijn. In elk denkbaar kabinet is de partij van Merkel zo sterk dat de SPD of de Groenen nauwelijks verandering in haar Europese beleid zouden kunnen brengen. Het strikte austeriteitsbeleid van Merkel zal hooguit aangevuld worden met maatregelen voor meer economische groei in Europa. Interessanter zijn daarentegen de gevolgen voor Duitsland zelf. Ook deze verkiezingen hebben weer laten zien dat het Duitse electoraat inmiddels volatiler is geworden. Eveneens is duidelijk geworden dat klassieke coalities niet meer vanzelfsprekend zijn. Dat betekent dat er een noodzaak is om nieuwe opties te verkennen. De SPD moet kiezen of zij op den duur de kleine partner van een christendemocratische Bondskanselier wil zijn, of dat ze samenwerking mer Die Linke toch mogelijk acht. De Groenen op hun beurt moeten overwegen of ze zich alleen op de SPD als partner willen fixeren, of dat een opening naar de christendemocraten toe wellicht meer strategische mogelijkheden biedt.

Sven Bergmann (1985) studeert Nederland-Duitslandstudies aan de Radboud Universiteit Nijmegen en de Westfälische Wilhelms-Universität te Münster


[1] ‘Internationale Pressestimmen: “Merkel überwältigend für die Bewältigung der Schuldenkrise belohnt”’, Augsburger Allgemeine (22 september 2013), online beschikbaar via: http://www.augsburger-allgemeine.de/politik/Internationale-Pressestimmen-Merkel-fuer-die-Bewaeltigung-der-Schuldenkrise-belohnt-id27104557.html (geraadpleegd op 7 november 2013); ‘Duitsers kiezen voor Merkel’, NOS.nl (23 september 2013), online beschikbaar via: http://nos.nl/artikel/554259-duitsers-kiezen-voor-merkel.html (geraadpleegd op 7 november 2013).

[2] ‘Warum Schwarz-Gelb so gut abschneidet’, Tagesschau.de (1 oktober 2013), online beschikbaar via: http://www.tagesschau.de/inland/deutschlandtrend1794.html (geraadpleegd op 7 november 2013).

[3] ‘Bundestagswahl: Nichts motiviert so stark zur Stimmabgabe wie das persönliche Umfeld’, Bertelsmann Stiftung (10 juni 2013), online beschikbaar via: http://www.bertelsmann-stiftung.de/cps/rde/xchg/bst/hs.xsl/nachrichten_116680.htm (geraadpleegd op 7 november 2013).

[4] ‘Intellektuelle streiten über das Nichtwählen’, Hannoversche Allgemeine(19 september 2013), online beschikbaar via: http://www.haz.de/Nachrichten/Kultur/Uebersicht/Deutsche-Intellektuelle-streiten-ueber-Waehlen-und-Nichtwaehlen-bei-der-Bundestagswahl-2013 (geraadpleegd op 7 november 2013); N. Abé, M. Amann en M. Feldenkirchen, ‘Die Schamlosen’, Der Spiegel (16 september 2013) 20-27.

[5] Het Duitse woord ‘Angestellter’ verwijst naar veelal kantoor- , technische en administratieve medewerkers en managers.

[6] D. Rose, ‘Wer wählte was warum?’ (22 september 2013), online beschikbaar via: http://www.tagesschau.de/wahl/wahlanalyse124.html (geraadpleegd op 7 november 2013); ‘Bundestagswahl 2013: So wählten die Deutschen’, Spiegel Online (22 september 2013), online beschikbaar via: http://www.spiegel.de/politik/deutschland/bundestagswahl-2013-waehlerwanderung-gewinne-verluste-direktmandate-a-923290.html (geraadpleegd op 7 november 2013).

[7] Rose, ‘Wer wählte was warum?’.

[8] ‘Bundestagswahl 2013: So wählten die Deutschen’.

[9] Rose, ‘Wer wählte was warum?’; ‘Bundestagswahl 2013: So wählten die Deutschen’.

[10] Rose, ‘Wer wählte was warum?’.

[11] B. Ulrich, ‘Können gerade nicht’, Die Zeit (17 oktober 2013) 3.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>