De vergrijzing mag bijna met pensioen

Eric van der Vorst

Sinds Europa en de wereld getroffen zijn door de zwaarste economische crisis sinds de Tweede Wereldoorlog, en zowel de Nederlandse overheid als pensioenfondsen en banken kampen met grote tekorten en schulden, lijkt het debat over de vergrijzing actueler dan ooit. Sinds de eerste ‘babyboomers’ in 2011 met pensioen gingen, is het percentage 65-plussers in de Nederlandse bevolking steeds sterker aan het toenemen. Het financieren van de pensioenen van deze ‘ouderen’ kost het werkende deel van de Nederlandse bevolking steeds meer geld. Terwijl zowel Geert Wilders als Emiel Roemer– niet geheel toevallig de twee meest populaire politici van het moment – geen cent meer weg willen halen bij de ouderen in Nederland, maken andere politici serieuze plannen om te korten op pensioenen en de AOW-leeftijd zo snel mogelijk nóg verder omhoog te gooien.

Wat moet de kiezer nu vinden van dit debat? Vormt die vergrijzing wel echt zo’n grote bedreiging? Waarom heeft men dan niet eerder maatregelen getroffen om de grijze druk op de Nederlandse samenleving te verminderen? Het antwoord op deze vraag is simpel. Omdat politici vaak niet verder vooruit kijken dan de volgende verkiezingen en niet verder achteruit dan het vorige kabinet, is het debat rond de vergrijzing voor een groot deel gebaseerd op onwaarheden, halve waarheden en kortetermijnpolitiek. Eerst moet duidelijk gemaakt worden wat nu waar en onwaar is over de vergrijzing, alvorens een mening over de verhoging van de AOW-leeftijd gevormd kan worden. In dit artikel zullen de vier grootste fabels worden ontmaskerd.

Fabel 1: ‘De babyboomers verpesten het voor iedereen.’
Voor veel mensen is de oorzaak van het grote vergrijzingsprobleem duidelijk. De vergrijzing van de babyboom-generatie (geboren tussen 1945 en 1965) wordt al snel gezien als de enige reden dat de pensioenen van 65-plussers steeds meer onbetaalbaar worden. Omdat de babyboomers met zo veel zijn en zelf zo weinig kinderen kregen, zal de in omvang veel kleinere jongere generatie moeten opdraaien voor de hoge kosten van hun pensioenen. De babyboom profiteerde van de naoorlogse welvaart en kan nog nét voor de verhoging van de AOW-leeftijd met pensioen.

Dit beeld van de vergrijzing is onwaar. Al sinds de negentiende eeuw stijgt het percentage 65-plussers in Nederland. In 1899 was 6% van de Nederlandse bevolking 65 jaar of ouder.[1] In 1947 was dit 7,1%.[2] Na 1945 werd deze stijging van het relatieve aantal ‘ouderen’ versterkt, zelfs toen er zo veel naoorlogse kinderen geboren werden. In 1971 was 10,2% van de Nederlandse bevolking 65-plus.[3] In 2011 was dit 15,6%.[4] Het probleem van de vergrijzing kent dus niet zijn oorsprong in de naoorlogse geboortegolf. Al sinds levensverwachting toenam (eind 19e eeuw) en vruchtbaarheid afnam (begin twintigste eeuw) is Nederland aan het vergrijzen. Het is overigens wel zo dat de babyboomers hoogstwaarschijnlijk het einde van de vergrijzing zullen inluiden. Volgens voorspellingen van het CBS zal vanaf 2040, wanneer alle babyboomers met pensioen zijn, de vergrijzing niet meer toenemen. Ongeveer 25% van de Nederlandse bevolking zal dan 65-plus zijn.[5]

De babyboom-generatie, waarvan de oudste vertegenwoordigers vanaf 2011 met pensioen mochten, zal zeker zorgen voor een verdere stijging van het percentage 65-plussers in de Nederlandse bevolking. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) verwacht een stijgende toename van het aantal 65-plussers.[6] De vergrijzing van de babyboom-generatie is echter vooral een tijdelijke kwestie binnen het structurele probleem van de vergrijzing. Omdat tijdens de Tweede Wereldoorlog geboortes uitgesteld werden, nam het aantal baby’s na 1945 ineens flink toe. De babyboomers zijn dus eerder een uitzondering op de Nederlandse bevolkingsopbouw dan de oorzaak van alle problemen. Het structurele probleem van de vergrijzing is veel verstrekkender en definitiever. Dalende vruchtbaarheidscijfers en een groeiende levensverwachting hebben sinds 1900 nu eenmaal gezorgd voor het steeds ouder worden van de Nederlandse bevolking.[7] De schuld van het kortzichtige overheidsbeleid ten aanzien van de ‘grijze druk’ op de Nederlandse bevolking, ligt dus zeker niet alleen bij babyboomers, maar ook bij eerdere generaties politici, voor wie door vooroorlogse vruchtbaarheidsdaling en de naoorlogse geboortegolf het zicht aan de vergrijzing werd onttrokken. Geluk hebben de babyboomers misschien wel gehad. Doordat ze met zovelen zijn en zo weinig kinderen kregen, konden ze makkelijk de druk van ouderen en jongeren (in de demografie aangeduid als ‘grijze’ en ‘groene’ druk) opvangen. Omdat het pensioenbeleid in Den Haag altijd al veel te kortzichtig is geweest, vallen de babyboomers nu nog nét buiten de 67-jaarregeling en kunnen ze gewoon op hun 65ste rekenen op een AOW-uitkering.

Fabel 2: ‘In de toekomst zullen in Nederland steeds minder kinderen geboren worden. Het probleem wordt dus alsmaar erger.’
Ook deze uitspraak over de vergrijzing is onwaar. Vanuit het idee dat de vruchtbaarheid van Nederlandse vrouwen de komende jaren drastisch af zal nemen, wordt soms de conclusie getrokken dat er in de toekomst steeds minder draagkracht zal zijn om gepensioneerde Nederlanders op te vangen. In tegenstelling tot snelgroeiende landen als India en China, zal Nederland in de nabije toekomst te maken krijgen met een flinke bevolkingsafname, veroorzaakt door een gebrek aan baby’s. Helaas, ook deze redenatie is fout. Er zullen de komende jaren helemaal niet steeds minder kinderen geboren worden in Nederland. In de afgelopen 15 jaar nam het gemiddeld aantal geboorten per Nederlandse vrouw toe van 1,53 naar 1,79.[8] Het tegenovergestelde blijkt dus waar: de bevolkingsgroei stijgt. Gezien het redelijk constante geboortecijfer in Nederland in de afgelopen veertig jaar zal de disbalans tussen werkenden en gepensioneerden na de vergrijzing van de babyboom-generatie langzaam afnemen. Het probleem lost zichzelf langzaam maar zeker op. Volgens het CBS zal het percentage 65-plussers in de Nederlandse bevolking, en vervolgens ook het aantal 65-plussers, rond 2038 beginnen af te nemen. In die zin is het probleem van de vergrijzing alweer bijna verleden tijd. Omdat de levensverwachting van Nederlanders niet eindeloos kan blijven stijgen en omdat het vruchtbaarheidscijfer niet eindeloos blijkt te dalen, zal volgens voorspellingen van het CBS rond 2040 een beter evenwicht ontstaan. De vergrijzing die in de negentiende eeuw ontstond door een stijgende levensverwachting en een flinke vruchtbaarheidsdaling, zal rond 2040 ophouden te bestaan.

Fabel 3: ‘De druk op het werkende deel van de bevolking is door de vergrijzing steeds groter geworden.’
Het is inderdaad waar dat het percentage 65-plussers in de Nederlandse bevolking al een tijd lang exponentieel toe aan het nemen is. De grijze druk van gepensioneerden op het werkende deel van de Nederlandse bevolking is sinds 1947 meer dan verdubbeld. Dit betekent echter niet dat de totale druk op de werkende Nederlandse bevolking ook al die jaren al aan het toenemen is. Sinds 1900 is het percentage kinderen (onder de 20 jaar) in de bevolking vanwege vruchtbaarheidsdaling flink afgenomen. Het aantal personen onder de 20 jaar per 100 personen tussen de 20 en 65 jaar oud, daalde van 90 tot 42 in de vorige eeuw.[9] Omdat de druk van vergrijsden minder toenam dan de afname van de ‘groene’ druk van kinderen, daalde de totale druk op de Nederlandse beroepsbevolking van 103 ‘afhankelijken’ per 100 werkenden in 1900 tot 61 ‘afhankelijken’ in 2000.[10] De druk op het werkende deel van de Nederlandse bevolking is dus juist flink afgenomen en zelfs nog nooit zo laag geweest. Daarnaast heeft de groeiende arbeidsparticipatie van vrouwen in de vorige eeuw bijgedragen aan een nog scherpere daling van het aantal afhankelijken ten opzichte van de werkende beroepsbevolking in Nederland. Hoewel de totale druk van afhankelijken in de nabije toekomst vanwege de vergrijzing weer licht toe zal nemen, zal de druk op de Nederlandse beroepsbevolking altijd een stuk lager blijven dan in de eerste helft van de twintigste eeuw.

Fabel 4: ‘We moeten langer doorwerken en hebben minder lang pensioen.’
Ook deze uitspraak is, wanneer men de cijfers bekijkt, niet waar. Toen minister-president Drees in 1956 de Algemene Ouderdomswet, met AOW-leeftijd 65 jaar, invoerde, was de gemiddelde levensverwachting van een 65-jarige Nederlander nog ongeveer 15 jaar.[11] In 2011 had een 65-jarige Nederlander nog gemiddeld 20 jaar te gaan.[12] Heden ten dage kan men dus gemiddeld 5 jaar langer gebruik maken van een AOW-uitkering dan in 1956. Ook als de AOW-leeftijd wordt verhoogd naar 67 jaar heeft een gemiddelde Nederlander dus langer pensioen dan een gemiddelde Nederlander in 1956. Daarnaast kan gezegd worden dat we, wanneer we doorwerken tot 67 jaar, nog altijd minder lang hoeven te werken dan vroeger. Vergeleken met 1956 begint men op latere leeftijd met werken. Vanwege een groeiend aantal parttime-banen en sociale wetgeving heeft men steeds minder werkuren per week en steeds meer vakantiedagen per jaar. Vergeleken met vroegere generaties AOW-ers hebben we, zelfs al moeten we doorwerken tot 68 of 70 jaar,  dus niks te klagen, om nog maar te zwijgen van het lot van 65-plussers van vóór 1956.

Conclusie
Omdat Nederland al meer dan een eeuw aan het vergrijzen is en omdat die vergrijzing volgens voorspellingen van het CBS vanaf 2040 weer voorbij is, kan gesteld worden dat de vergrijzing zelf alweer bijna met pensioen mag. De vergrijzing is meer dan het ouder worden van de babyboomers, maar zeker niet een oneindige groei van het aantal ouderen. Of dit probleem in de toekomst erger wordt, afneemt, kansen oplevert of juist gevaarlijk is, is moeilijk te voorspellen. Terwijl de levensverwachting redelijk stabiel stijgt, is de toekomst van het vruchtbaarheidscijfer erg onzeker. De toename van het aantal geboortes per vrouw in de afgelopen 15 jaar toont in ieder geval wel aan dat de bevolkingsgroei niet in sneltreinvaart naar een nulpunt aan het dalen is. Misschien heeft Nederland over 30 jaar wel weer een jongerenoverschot. Daarnaast spelen ook factoren als immigratie, emigratie en een aantrekkende of juist inzakkende economie een rol.

Op korte termijn zal het percentage ouderen in de Nederlandse bevolking zeker flink stijgen. De Nederlandse economie zal zich dus moeten aanpassen aan dit groeiend aantal ouderen. Naast nadelen, zoals sterk groeiende kosten in de gezondheidszorg, kent de vergrijzing ook voordelen, bijvoorbeeld voor de kunst- en cultuursector. Ouderen moeten immers vermaakt worden. Terwijl we ons aanpassen aan een groeiend aantal ouderen in onze samenleving moeten we ons echter ook beseffen dat Nederland niet eindeloos zal blijven vergrijzen. Hoewel de voorspellingen van het CBS geen absolute zekerheid bieden zal Nederland vanaf 2040 waarschijnlijk niet meer vergrijzen. Om ervoor te zorgen dat de Nederlandse overheid in 2040 niet failliet gaat, zullen de komende regeringsleiders eens met een vooruitziende blik moeten handelen. Een verhoging van de AOW-leeftijd van 65 naar 67, 68 of misschien wel 70 jaar, is gezien de groeiende levensverwachting van 65-jarigen niet meer dan logisch. We moeten de grens waarop een Nederlander ‘bejaard’ wordt niet statisch vasthouden, maar juist dynamisch gebruiken en afstellen op de levensverwachting en bevolkingspiramide. De grootste fout die sinds het instellen van de Algemene Ouderdomswet is gemaakt, is het feit dat er te streng aan 65 vastgehouden is. Ook de omvorming van de AOW van een omslagstelsel naar een kapitaaldekkingsstelsel (waarin iedereen belasting afdraagt voor het pensioen van zijn eigen generatie) is op de lange termijn belangrijk om nieuwe vergrijzingsproblemen tegen te gaan. Het aanpakken van het heilige huisje Algemene Ouderdomswet lijkt mij voor de Nederlandse overheid dan ook de ultieme kans om haar begrotingstekort weg te werken, en zich voor te bereiden op een toekomst waarin een op de vier Nederlanders 65-plus zal zijn.

Eric van der Vorst (1990) studeert Actuele Geschiedenis aan de Radboud Universiteit Nijmegen.



[1] Indeeling der werkelijke bevolking naar den leeftijd en den burgerlijke staat, Volkstelling 1899, twaalfde deel, vierde gedeelte, beschikbaar via: http://www.volkstellingen.nl/nl/
volkstelling/imageview/VT189912H4/index.html
(geraadpleegd op 9 februari 2012).

[2] 12e volkstelling annex woningtelling 31 mei 1947, Serie A: Rijks- en provinciale cijfers, deel 1: Belangrijkste uitkomsten der eigenlijk telling, beschikbaar via:

http://www.volkstellingen.nl/nl/volkstelling/jaartellingdeelview/VT1947A1/index.html (geraadpleegd op 16 februari 2012).

[3] Th.A.M. Vis, Monografieën volkstelling 1971: Vergrijzing (Den Haag 1981) , beschikbaar via: http://www.volkstellingen.nl/nl/volkstelling/jaartellingdeelview/VT197108/index.html (geraadpleegd op 16 februari 2012).

[4] Centraal Bureau voor de Statistiek, Bevolking; generatie, geslacht, leeftijd en herkomstgroepering, 1 januari (laatst gewijzigd 13 april 2012) http://statline.cbs.nl/StatWeb/publication/
?DM=SLNL&PA=37325&D1=0&D2=0&D3=0,l&D4=0&D5=0&D6=a&HDR=G2,G3,G4,T&STB=G1,G5&VW=T
(geraadpleegd op 30 mei 2012).

[5] Centraal Bureau voor de Statistiek, Bevolkingsprognose voor de lange termijn (laatst gewijzigd op 17 december 2010), beschikbaar via: http://statline.cbs.nl/StatWeb/publication/
?VW=T&DM=SLNL&PA=80745ned&D1=a&D2=a&D3=0-1,11,21,31,l&HD=100324-1229&HDR=T,G2&STB=G1
( geraadpleegd op 1 februari 2012).

[6] Joop Garssen, ‘Demografie van de vergrijzing’, Bevolkingstrends, statistisch kwartaalblad over de demografie van Nederland 2 (2011) 15, beschikbaar via: http://www.cbs.nl/nl-NL/menu/publicaties/boeken/bevolkingstrends/archief/2011/2011-k2-b15-pub.htm (geraadpleegd op 1 februari 2012).

[7] Theo Engelen, ‘Vergrijzing in Nederland, 1899-200. De historische wortels van een modern probleem’, in: Onno Boonstra e.a. (red.), Twee eeuwen Nederland geteld: Onderzoek met de digitale Volks-, Beroeps- en Woningtellingen 1795-2001 (Den Haag 2007) 51-71, aldaar: 53

[8] Google Public Data, Wereldontwikkelingsindicatoren. Gegevens van Wereldbank (laatst bijgewerkt 09-03-2012), beschikbaar via:  http://www.google.nl/publicdata/explore?ds=
d5bncppjof8f9_#!ctype=l&strail=false&bcs=d&nselm=h&met_y=sp_dyn_tfrt_in&scale_y=lin&ind_y=false&rdim=country&ifdim=country&tdim=true&hl=nl&dl=nl
(geraadpleegd op 19 maart 2012).

[9] Theo Engelen, ‘Vergrijzing in Nederland, 1899-200. De historische wortels van een modern probleem’, in: Onno Boonstra e.a. (red.), Twee eeuwen Nederland geteld: Onderzoek met de digitale Volks-, Beroeps- en Woningtellingen 1795-2001 (Den Haag 2007) 51-71.

[10] Ibidem.

[11] Centraal Bureau voor de Statistiek, Levensverwachting; geslacht en leeftijd, vanaf 1950 (Gewijzigd op 11-08-2011) beschikbaar via: http://statline.cbs.nl/StatWeb/publication/
?DM=SLNL&PA=80333ned&D1=3,7&D2=a&D3=0,65&D4=a&HDR=T,G1&STB=G2,G3&VW=T
(geraadpleegd op 13 maart 2012).

[12] Ibidem.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>