De noodzaak tot herontdekking van het moreel gezag van het liberalisme

Remy Maessen

De afgelopen decennia voert de West-Europese politiek een beleid met als doel zoveel mogelijk publieke diensten in de private sector terecht te laten komen. Soms is deze privatisering een goede beslissing teneinde niet goed functionerende bureaucratieën efficiënter te maken. Vaak wordt echter beweerd dat de taken in (semi)-private handen beter kunnen worden uitgevoerd, zonder dat deze beweringen van tevoren echt te staven zijn. Het dogmatisch geloof in de heilige vrije markt, dat aan het einde van de vorige eeuw de politieke arena in alle Europese landen domineerde – zelfs onder sociaaldemocraten – lijkt met de huidige economische crisis zijn tol te eisen. De politieke stroming die de motor achter de privatiseringen was, het liberalisme, heeft echter de sleutel in handen om deze ontwikkeling te stoppen. De liberalen zullen dan eerst op zoek moeten gaan naar hun eigen wortels.

De afgelopen jaren zit het liberalisme – of, zoals de stroming de genoemde decennia geëvolueerd is: het neoliberalisme – in de beklaagdenbank. In veel onderzoeken wordt inmiddels gewezen op de gevolgen van deze politiek van absoluut marktdenken en het laten verdampen van controlemechanismen door de overheid. Dat uiteindelijk overheden moesten bijspringen toen de banken op springen stonden was een eerste teken dat het geloof in de vrije markt moest worden bijgesteld. Niets bleek echter minder waar: nog steeds waait in Nederland een neoliberale wind en daarin hebben we geen uitzonderingspositie. Nog steeds ligt de sleutel volgens het inmiddels demissionaire kabinet-Rutte I bij het verkleinen van de overheid, die zo langzamerhand wordt uitgehold en de controle verliest.[1] De volksvertegenwoordiging – het ultieme controleorgaan – ziet door de bomen het bos niet meer. Ambtelijke  (semi)-publieke organisaties lijken een totaal eigen dynamiek te hebben gekregen, met eigen regels waarop de volksvertegenwoordiging alle controle kwijt lijkt te zijn. In dit artikel wordt een kenschets gegeven van de afgelopen eeuwen, waarin de groei van de overheid eerst een oplossing was voor uit de klauwen gegroeide publieke bevoegdheden en waarin nu de verkleining van diezelfde overheid een oplossing voor hetzelfde probleem lijkt te zijn. In beide gevallen waren het dezelfden die de oplossingen bepleitten: de liberalen.

Wortels van het liberalisme als politieke stroming
Hoewel het liberalisme werd gevormd in de zeventiende en achttiende eeuw met dank aan denkers als John Locke en Adam Smith, won het als dominante politieke stroming rondom de Franse Revolutie aan invloed. Als tegenhanger van het Ancien Régime, bepleitte het liberalisme een afschaffing van oude rechten en privileges die de ontwikkeling van de mens als individu in de weg stonden. ‘Vrijheid, gelijkheid en broederschap’ – hoewel pas na de daadwerkelijke revolutie populair geworden – werd de leus die uiteindelijk in de geschiedenisboeken het stempel drukte op de Franse Revolutie en kan zo worden gezien als een eerste liberaal verkiezingsaffiche uitmondend in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens uit 1789, waarin overduidelijk morele keuzes ten behoeve van volkssoevereiniteit, inspraak, democratie, vrijheden, sociale zekerheid en onderwijs werden gemaakt. Niet meer stond een hogere macht centraal, maar het was de individuele mens die een centraal thema in politieke- en machtsverhoudingen werd. Het was ook hij die de staat en daarmee de maatschappij ging vormgeven. Tegenover de achtergrond van het Ancien Régime stonden revolutionaire standpunten. Dat het liberalisme in die periode kan worden betiteld als progressief en revolutionair, is op te maken uit de Nederlandse tegenhanger van het liberalisme uit de negentiende eeuw: de antirevolutionairen, die in de volksvertegenwoordiging tegenover de liberalen plaatsnamen, aan rechterzijde van de voorzitter, terwijl aan linkerzijde de erfgenamen van de Revolutie zaten: de liberalen. Dat de liberalen in deze periode bij uitstek opkwamen voor de individuele vrijheden van de Nederlanders, is op te maken uit de felle discussies die aan het einde van de negentiende eeuw en aan het begin van de twintigste eeuw in de Tweede Kamer gevoerd werden. Hoewel vaak wordt aangenomen dat Nederland pas vanaf de jaren zestig van de twintigste eeuw een bakermat van vrijheid op het gebied van seks, drank en drugs werd, hadden de liberalen deze vrijheden reeds een eeuw eerder hoog in het vaandel: pas het eerste confessionele kabinet onder leiding van antirevolutionair Abraham Kuyper (vanaf 1901) maakte een einde aan de onder de liberalen verworven, progressieve vrijheden. Knarsetandend moesten de liberalen aanzien hoe de confessionelen een eeuw liberale wetgeving terugdraaiden.[2]

Pas halverwege de twintigse eeuw veranderde in Nederland de links-rechts semiotiek tussen de confessionelen en de liberalen. Met de opkomst van sociaaldemocraten, die zichzelf eveneens als erfgenamen van de Franse Revolutie zagen, werd het druk aan linkerzijde. Uiteindelijk kwamen toen, met dank aan de toenmalige Kamervoorzitter, de liberalen aan rechterzijde terecht. Het bleek een voorafschaduwing van een nieuwe koers die de liberalen halverwege de twintigste eeuw gingen varen, gestimuleerd door zichzelf als liberaal betitelende denkers als Ayn Rand en Friedrich Hayek. De individuele mens als uitgangspunt voor beleid verdween stilaan en maakte plaats voor een hogere macht, waarvan de liberalen een eeuw eerder juist afscheid hadden geprobeerd te nemen. De nieuwe hogere macht was de vrije markt.

Geboorte van een utopie: ontplooiing van het individu ingeruild voor ontplooiing van de vrije markt
Het werd de vrije markt dan ook niet al te moeilijk gemaakt. In de jaren zestig en zeventig waren het de sociaaldemocraten en linkse actiegroeperingen die korte metten poogden te maken met oude, hierarchische structuren. Inspraak en democratie werden toverwoorden: status en functie moesten ervoor buigen. In dezelfde periode liepen de kerken leeg en viel de verzuilde samenleving uit elkaar. Beide zijn in beginsel zeker geen slechte ontwikkelingen geweest, maar de ontzuilde en ontkerkelijkte samenleving moest op zoek naar een nieuw moreel gezag. In deze samenleving waarin het morele gezag van pastoor, dominee, wetenschapper en leraar afkalfde, brachten de liberalen de vrije markt te berde om dit machtsvacuüm in te vullen. De vrije markt was immers democratisch – iedereen die wilde deelnemen, kon deelnemen – en objectief – de markt was niet normatief, maar degene die het efficiënst, goedkoopst en klantvriendelijkst kon produceren, was automatisch de beste en daarmee de winnaar. In de vrije markt waren morele pretenties helemaal niet meer van belang, het resultaat – al dan niet op de eindbalans – gaf de doorslag. In Nederland was Frits Bolkestein een groot voorvechter van deze vrije markt. De overheid als degene die de dynamiek van de samenleving dooft en de ‘liberale contrareformatie’ die de onzichtbare hand van de vrije markt moest bevorderen daar tegenover, zijn door hem veelvuldig gebezigde uitspraken.[3]

Daarmee wordt echter voorbijgegaan aan de echte historische wortels van de vrije markt. Die groeide niet als een democratisch, objectief en spontaan proces, maar werd van overheidswege zorgvuldig gestimuleerd. Dat de liberalen als winnaars uit het morele vacuüm kwamen is te danken aan Rand en Hayek. Rand schreef in Atlas Shrugged (1957) dat het noodzakelijk was de bestaande samenleving, met de overheid als centraal punt, tot op de grond te vernietigen. Alleen door middel van een zo groot mogelijke ontplooiing van de vrije markt, kon de vrijheid en welvarendheid van de toekomstige mens veiliggesteld worden. Hayek schreef in zijn boek The Constitution of Liberty (1960) dat hij ‘alle obstakels voor vrije groei volledig wilde wegvagen’, zodat ‘de zelfregulerende krachten van de markt’ een nieuwe en betere maatschappij zouden kunnen creëren.[4] Dat voor deze ontplooiing van de vrije markt slachtoffers moesten vallen, vond Hayek geen groot probleem:

Op bepaalde ogenblikken kan een land nood hebben aan een vorm van dictatoriaal bestuur. U begrijpt wellicht dat het mogelijk is dat een dictator kan regeren op een liberale manier, net zoals een democratie op een totaal onliberale manier kan regeren. Persoonlijk prefereer ik een liberale dictator boven een democratische regering zonder liberalisme.[5]

Hoewel de uitspraak van Hayek uit 1981 stamt,  krijgt deze met de recente Arabische Lente een nieuwe dimensie. Klaarblijkelijk hadden de twee liberale denkers een nieuw doel-heiligt-de-middelen-principe uitgevonden, dat meer op heeft met het utopisch communisme, waarin  alles in het teken staat van de uiteindelijke ideale communistische samenleving, dan met de oorspronkelijke bedoelingen van de liberalen. Immers: vervlochten de schrijvers van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens volkssoevereiniteit, burgerrechten en liberalisme niet? En Adam Smith, die door zowel Rand als Hayek als geestelijk vader werd gezien, was zich er heel goed bewust van dat enkele taken sowieso in publieke handen moesten zijn en blijven, en dat de overheid controle moest houden om de markt ook echt open te houden voor eenieder en monopolies en prijsafspraken te voorkomen. Morele en democratische waarden, zoals de liberalen eerder in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens hadden opgenomen, deden inmiddels echter niet meer terzake. Deze zouden best even aan de kant moeten kunnen worden geschoven, ten behoeve van het bereiken van de uiteindelijke utopische ultieme vrije markt.

Dat deze markt helemaal niet in principe vrij is – en dus ook niet per definitie democratisch en objectief is – is hiermee hopelijk afdoende duidelijk gemaakt. De markt ontstond helemaal niet spontaan, maar werd zorgvuldig door de liberalen gestuurd. Het feit dat het systeem niet alleen gestuurd werd, maar ook nog eens tot kernwaarde van het liberalisme werd, in plaats van de individuele vrijheden, toont dat de markt kennelijk niet zo objectief was, als eerder beweerd werd. In De Utopie van de Vrije Markt (2010), weet de Nederlandse filosoof en emeritus-hoogleraar Hans Achterhuis de vinger op de zere plek te leggen: het utopische aspect had van het liberalisme het neoliberalisme gemaakt. Zijn betoog gaat dan ook niet tegen het liberalisme, maar tegen het neoliberalisme in.[6]

Rand en Hayek sprongen, met dank aan deze neoliberale voorvechters van de markt, in het politieke en morele vacuüm dat ontkerkelijking, ontzuiling en de afbraak van hiërarchische structuren had nagelaten. In Groot-Brittannië zette Margaret Thatcher deze manier van denken om in beleid en in de Verenigde Staten waren het vooral Ronald Reagan en de voormalig voorzitter van de Amerikaanse centrale bank Alam Greenspan die Rand en Hayek fervent volgden. Opvallenderwijs werd het neoliberalisme in Nederland ingevoerd door christendemocratische en sociaaldemocratische premiers. Het kreeg met de kabinetten-Lubbers en -Kok immers ook een slag van de neoliberale molen, maar werd minder erg getroffen dan de twee andere genoemde landen. Eenieder die ooit van het Britse spoorwegennetwerk gebruik heeft gemaakt, weet wat voor catastrofes Nederland bespaard zijn gebleven en Greenspan viel pas van zijn geloof toen hij in 2008 tegen het Amerikaanse Huis van Afgevaardigen bekende fout te zijn geweest toen hij voortdurend alle hindernissen en controlemechanismen voor de vrije markt poogde weg te nemen.[7]

Herontdekking van het liberalisme
De centrale vraag die de uitgeholde West-Europese staten zichzelf stellen is: hoe nu verder? Terwijl financiële markten zich niets aantrekken van statelijke verbanden en zonder enkele democratische controle kan opereren, komt de demissionaire premier Rutte met een voorstel de Staten-Generaal te verkleinen. Inmiddels heeft de bankencrisis zich over heel Europa uitgebreid en moeten banken in heel Europa door staten overeind worden gehouden. Had het reparatiewerk van Wouter Bos met de Nederlandse banken een waarschuwing moeten zijn voor hen die zichzelf nog steeds in de neoliberale traditie zien, het paniekvoetbal van Jan-Kees de Jager is dat eens te meer. Je kunt veel zeggen over de Nederlandse eurosceptische politici, maar dat elke democratische controle op dit geld ontbreekt, is evident. Aan ondemocratische instanties worden geld en bevoegdheden toevertrouwd, zonder dat er meer controle voor in de plaats komt.

De logische liberale impuls zou moeten verwijzen naar de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, naar ‘vrijheid, gelijkheid en broederschap’ en naar hun eigen wortels. ‘Het laten samengaan van economische vrijheid en burgerrechten is het beste wat we uitgevonden hebben’,[8] zei de Peruaanse schrijver Mario Vargas Llosa daarover. In plaats daarvan worden beide aspecten door zichzelf liberaal noemende politici en denkers verkwanseld, teneinde nog steeds overheden te verkleinen en de vrije markt de problemen die de vrije markt heeft veroorzaakt op te lossen. Een vreemde redenering, als je het mij vraagt. En vergelijken we het liberale beleid op het gebied van individuele vrijheden en de nadruk op het rechtssysteem van de negentiende eeuw met het beleid van de liberale staatssecretaris Fred Teeven en de liberale flirt met de SGP, dan vraag ik mij af of de liberalen hun oorsprong niet vergeten zijn.

Toch kunnen de liberalen bij uitstek de crisissituatie oplossen. De liberalen, die zich beroepen op John Locke, Adam Smith en de schrijvers van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens als erfvaders, moeten weten hoe schadelijk een utopisch, door bovenaardse krachten geregeerd, wereldbeeld is. Inmiddels heeft de vrije markt de plek van de hogere macht ingenomen. Sterker nog, het geloof in ijzeren economische wetmatigheden die de voorvechters van de vrije markt met zich meebrachten doet haast marxistisch aan. Neoliberalisme en communisme: ze liggen klaarblijkelijk dichter bij elkaar dan we ooit hadden gedacht.

Daar moeten liberalen als eerste tegen ageren. Juist als uitvinders van de volkssoevereiniteit en de democratische controle die daaruit volgt, moet voor het de liberalen van groot belang zijn om de macht terug te hevelen naar de volksvertegenwoordiging en daarbij het morele gezag terug te winnen. Daarbij zal nooit en te nimmer een doel-heiligt-de-middelen-principe plaatsvinden. Immers, de samenleving is dan nog slechts gericht op de ontplooiing van ieder individu en het waarborgen van de individuele vrijheden van dit individu, zonder dat daar utopische verwachtingen aan worden gesteld of zonder dat dit als middel teneinde een ander te bereiken doel wordt gezien.

Liberale boekenkasten zouden de werken van Ayn Rand en Friedrich Hayek naar de achtergrond moeten verplaatsen en in plaats daarvan John Stuart Mill en Karl Popper moeten herontdekken. Want het liberalisme kent moreel gezag, al hebben de neoliberalen geprobeerd dat te verbranden. Juist in dit liberale, morele gezag, waarin ieder individu de maximale ontplooiingsmogelijkheden krijgt en waarin volkssoevereiniteit en democratie – en daarmee een degelijke staat, waarin individuele vrijheden gewaarborgd zijn – centraal staan, ligt de weg uit de crisis.


Remy Maessen
(1987) is parlementair historicus en is thans werkzaam als projectmedewerker bij Stichting Kuseema Nijmegen.


[1] M. Chavannes, Niemand Regeert. De privatisering van de Nederlandse politiek. (Amsterdam 2009).

[2] B. van der Ham, De vrije moraal. Seks, drank en drugs in de Tweede Kamer (Amsterdam 2012) 20-27.

[3] A. Maas e.a. Het brein van Bolkestein. (Nijmegen 1997) 12.

[4] F. Hayek geciteerd in: D. Verhofstadt ‘De utopie van de vrije markt [recensie]’, Liberales.be, beschikbaar via: http://www.liberales.be/boeken/achterhuis (geraadpleegd op 28 augustus 2012).

[5] Ibidem.

[6] H. Achterhuis, De utopie van de vrije markt (Rotterdam 2010).

[7] Verhofstadt, ‘De Utopie van de Vrije Markt [recensie]’.

[8] M. Vargas Llosa geciteerd in: D. Verhofstadt, ‘De utopie van de vrije markt [recensie]’.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>