De Arabische Lente is (nog) geen feest van de democratie

Mike van de Weijer

Het rommelt in het Midden-Oosten. En dit keer gaat het niet om Nederlandse politici of Deense cartoonisten. Het gaat, zo zegt men, om datgene wat wij tegenwoordig in de Westerse wereld wel als onze grootste verworvenheid beschouwen: vrijheid. Het recht van een bevolking om zijn eigen toekomst te kiezen en om de eigen machthebbers te kiezen en ze naar huis te sturen als ze hun boekje te buiten gaan, worden gezien als standaardkenmerken van moderne staten. Landen die (nog) niet democratisch zijn, zouden achterlopen. Impliciet is deze opvatting ook een onderdeel van het buitenlands beleid van Nederland en andere Westerse landen. Doordat zij democratisering in andere landen steunen wordt duidelijk dat ze van mening zijn dat landen die de democratie nog niet toepassen hulp nodig hebben om op hetzelfde (hoge) niveau als West-Europa te belanden.

Dat er mensen zijn die op de pleinen van Tunesië en Egypte en in de openlijke strijd in Libië en Syrië opkomen voor een vrijheid waar zij voorheen alleen van konden dromen is inderdaad toe te juichen, maar laten we onszelf niet voorbij lopen. In de laatste maanden is te vaak geroepen dat de activisten uit de Arabische Lente de laatste (of de enige) echte democraten zouden zijn. Een goed voorbeeld van deze bejubeling is de column van Joep Willemsen in de vorige Volonté Générale (2011-1). Hij stelt voor het Vredespaleis te verplaatsen naar ‘Cairo, Benghazi of Tunis. Daar weten ze wat democratie en vrijheid waard zijn.’[1] Het bewieroken van de Lente-Arabieren is begrijpelijk (hier sterven immers mensen voor wat zij democratie noemen), maar is gebaseerd op een  onjuiste, incomplete en geromantiseerde analyse. Het is nog maar de vraag in welke richting de politieke ontwikkelingen in het Midden-Oosten zich zullen bewegen. Nieuwe ‘echte’ democratieën zijn er echter nog niet ontstaan en weinig wijst erop dat de landen waar de lente is uitgebroken dat op eigen kracht snel zullen worden.

Symbolische verkiezingen
Democratieën zijn er in alle soorten en maten. Al in 1997 signaleerde Fareed Zakaria echter dat er buiten West-Europa en Noord-Amerika weliswaar veel democratieën bestonden, maar dat deze meestal niet het toonbeeld van constitutionalisme waren. Hoewel de macht in de zogenaamde illiberal democracies wel vergeven en bevestigd wordt door middel van verkiezingen en referenda, staan rechtsorde, corruptie, mensen- en minderhedenrechten er meestal niet op de eerste plaats. Zakaria stelt dat in Latijns-Amerika,Afrika en het Midden-Oosten democratie heeft geleid tot meer onvrijheid. De internationale gemeenschap heeft zich, net zoals de staten in transitie zelf, teveel blind gestaard op verkiezingen als symbool voor de nieuwe democratische orde, zonder zich te bekommeren om daadwerkelijke vrijheden.[2]

Natuurlijk is democratie meer dan alleen maar het op gezette tijden organiseren van een verkiezing. In het veld van post-conflict resolution realiseren steeds meer wetenschappers zich dat de focus op verkiezingen als de afsluiting van een conflict onterecht is.[3] Verkiezingen worden in staten die een gewelddadig conflict te verduren hebben gehad gebruikt als moment waarop buitenlandse troepen zich terug kunnen trekken, maar in feite is het werk voor de internationale gemeenschap nog lang niet gedaan. Donoren in het Westen zien na de triomfantelijke foto’s van de verkiezingen meestal weinig meer van de wederopbouw van een conflictgebied, en zodoende droogt de geldstroom op. Verkiezingen verkopen, abstracte waarden zoals minderhedenrechten niet, omdat ze niet op een foto passen en niet op één dag te organiseren zijn.

De lokroep van de meerderheid
In de meeste niet-Westerse ‘democratieën’ wordt politiek meer bedreven op basis van groepsidentiteiten dan enig ander concept. Er zijn in deze ‘systemen’ partijen voor elke etnische of religieuze groep. Voor voorbeelden van dergelijke systemen hoeven we niet ver voorbij de landen waar de Arabische Lente zich voltrekt te kijken: in Libanon en Irak bloeit de democratie, maar is de coalitievorming helaas eerder een studie naar de verhoudingen tussen sjiieten en soennieten dan een weerspiegeling van de volkswil.

Op nationaal niveau houden de verschillende religieuze en etnische stromingen in Irak en Libanon elkaar op het moment aardig in balans, hoewel een (her)uitbarsting van geweld op elk moment dreigt. Het probleem van de meeste andere Arabische staten is dat ze etnisch en religieus veel homogener zijn dan Irak en Libanon. De bevolkingen van de landen van Noord-Afrika, maar ook Syrië en Jordanië, bestaan voor meer dan tweederde uit Arabische soennieten.[4] Deze meerderheden zijn zo groot dat het onwaarschijnlijk is dat minderheden hier tegenop kunnen. Daarnaast is het onwaarschijnlijk dat de activisten die nu de democratie verwezenlijkt denken te hebben van plan zijn de almacht van de Arabische soennitische meerderheid te beperken ten behoeve van minderheden. Zij hebben immers voor het eerst in decennia het gezag terug in de handen van de meerderheid gelegd. Deze macht nu beperken door voorbehouden te maken in het voordeel van groepen die in de samenleving slechts een marginale rol spelen zou slecht zijn voor de eigen legitimiteit van de activisten als voorvechters van de democratie en waarschijnlijk zelfs regelrechte politieke zelfmoord.

De stagnerende werking van een smeermiddel
De monarchieën in de Golf,[5] waarvan sommigen dromen dat ze de volgende landen zullen zijn waar de democratie gevonden wordt, hebben er nog een specifiek probleem bij. De staat keert in deze landen de rijkdom die verdiend wordt aan de verkoop van grondstoffen uit aan de bevolking. Dat gebeurt via subsidies, lucratieve overheidsbanen of sociale programma’s die alleen open staan voor de eigen burgers. Als deze staten democratisch worden, zal vooruitgang nog meer dan voorheen tegengehouden worden. Wij gebruiken olie in het Westen misschien als smeermiddel, maar in de Golf zal de politieke machine erdoor vastlopen.

In Koeweit, een staat die in politiek opzicht wel als voorbeeld voor de rest van de regio wordt gezien omdat het bijna een echte parlementaire democratie is, heeft dit scenario zich voltrokken. Degenen die aan de staat verdienen hebben een stem gekregen. Vervolgens zullen zij dus tegen elk voorstel stemmen dat het electoraat uitbreidt. Als bijvoorbeeld vreemdelingen de Koeweitse nationaliteit krijgen, moet het oliegeld over een grotere groep verdeeld worden. Als permanente bewoners met een andere nationaliteit ook mogen stemmen, zullen hun vertegenwoordigers proberen geld los te krijgen voor hun achterban, waardoor opnieuw meer mensen profiteren van de olierijkdom. Ook andere uitgaven die uit de staatskas betaald moeten worden, worden tegengehouden: investeringen in de infrastructuur komen alleen ten goede aan buitenlandse bedrijven en niet aan de publieke sector waarin het grootste deel van de Koeweiti’s werkzaam is en worden daarom niet goedgekeurd door het parlement.[6]

Alles is anders in Qatar, een land dat in veel opzichten wel op Koeweit lijkt: de emir heeft alle macht zelf gehouden en de autocraat blijkt juist de motor te zijn achter hervormingen. Hij kan min of meer eigenhandig beslissen waaraan het geld  uit de verkoop van grondstoffen heen gaat. Als de emir besluit de uitkeringen aan zijn burgers te beperken en in plaats daarvan te investeren in infrastructuur of het oprichten van een tv-zender, is er geen parlement dat hem dwars zit. De economie wordt hervormd om meer buitenlandse investeringen te trekken en diverse politieke en sociale rechten worden uitgebreid om een positief zakenklimaat en imago te behouden. Qatar heeft de positie van front runner in de Golf overgenomen van Koeweit, dat alleen nog maar als voorbeeld dient van de stelling dat democratie stagnerend werkt in een oliemonarchie.[7]

Wat nu?
Wat moeten wij in het Westen nu met de Arabische revoluties aan, als ze onvolledige en illiberale democratieën gaan opleveren? Om te beginnen moeten we het niet zo ver laten komen. Dat wil niet zeggen dat we de revoluties tegen moeten houden. In plaats daarvan moeten we de transities naar democratie zo goed mogelijk begeleiden. Verdachtmakingen dat dit bevoogdend zou zijn, of een moderne variant van het imperialisme, moeten van de hand gewezen worden: als deze Lente-Arabieren echt democratie willen, dan moeten ze de hele democratie nemen, en niet alleen majority rule. Europa kan hier een unieke positieve rol spelen: het werelddeel heeft niet alleen eeuwen ervaring met het ontwikkelen van democratie, maar telt ook tal van voorbeelden van staten die in de periode na de Tweede Wereldoorlog eenzelfde transitie doorgemaakt hebben als de verandering waar de Arabische wereld nu voor kan kiezen: Griekenland, Portugal, Spanje en zo goed als alle landen van het voormalige Warschau-pact zijn erin geslaagd om vanuit een vorm van dictatuur een democratisch systeem te ontwikkelen dat door de Europese gemeenschap als voldoende ontwikkeld werd gezien.[8]

Er is ook een precedent voor (technische) hulp bij democratisering. In 1990, na de val van de Berlijnse Muur en het ene communistische regime na het andere, stond een groot deel van Oost- en Centraal-Europa op precies hetzelfde punt als enkele Arabische staten nu: er was weinig tot geen (recente) democratische traditie en men wist alleen maar wat men niet meer wilde. De op dat moment nog veel kleinere Europese Gemeenschap schoot te hulp. Hoewel post-communistisch Europa zeker nog problemen heeft, zijn er wat betreft de bijstand in de democratisering wel succesverhalen aan te wijzen. Het Phare-programma,[9] dat in 1989 werd opgericht om Polen en Hongarije te ondersteunen, had als één van haar doelen het versterken van bestuursorganen en instituties om ze op EU-niveau te brengen. Langzaam werd het aantal landen dat met het programma ondersteund werd uitgebreid. Polen en Hongarije hebben het langst profijt gehad van het Phare-programma en zijn dan ook van de post-communistische staten degene die zich het meest naar West-Europees model hebben ontwikkeld.

Tegelijk met Phare bestonden in een aantal West-Europese landen soortgelijke programma’s. In Nederland was dat bijvoorbeeld het MaTra-fonds, dat een Maatschappelijke  Transformatie in Centraal- en Oost-Europa probeerde te bewerkstelligen. In Duitsland en Groot-Brittannië bestonden of bestaan soortgelijke programma’s.

Waarom niet?
Een aantal landen in Noord-Afrika en het Midden-Oosten bevinden zich in een positie die in veel opzichten lijkt op die waarin Oost-Europa zich in 1989 en 1990 bevond. Echter, het politieke klimaat in Europa verschilt wezenlijk van dat van 1989. Europa kampt met problemen die ervoor zorgen dat intensieve ondersteuning van andere staten onwaarschijnlijk wordt.

Ten eerste heeft de economische crisis de meeste Europese landen onder druk gezet om hun uitgaven in te krimpen. Als de hele overheid moet bezuinigen is het heel gemakkelijk om hulp aan andere staten te beperken, vooral als het niet gaat om humanitaire hulp na een oorlog of natuurramp. Door dit te doen geeft een regering ook een signaal naar de eigen bevolking: ‘jullie zijn belangrijker voor ons dan mensen elders.’ In deze context moet ook de beslissing van het kabinet-Rutte om de het budget voor ontwikkelingssamenwerking te verminderen gezien worden. Een uitzondering op deze algemene Europese tendens vormt de Britse regering, die weigert te korten op hulp aan andere landen, omdat zij haar beschavingsmissie niet wil laten varen. In veel EU-lidstaten is de steun aan derde landen echter één van de eerste slachtoffers geworden van bezuinigingsdrang.

Ten tweede is het politieke klimaat in heel Europa op dit moment niet meer te vergelijken met dat van tien jaar geleden. Nederland was tien jaar geleden een gidsland, samen met Zwitserland en Scandinavië. In de tussentijd is er in Zwitserland een minarettenverbod ingesteld en hebben in Denemarken en Nederland expliciet moslim-vijandige partijen een serieuze plek aan de onderhandelingstafel gekregen. Het is daarom onwaarschijnlijk dat er in de nabije toekomst veel geld in de richting van staten met een islamitische meerderheid gaat stromen. De islam zal een essentieel element blijven van de politieke ordening van Noord-Afrika en het Midden-Oosten en het zal voor de anti-Islampartijen onmogelijk zijn om toe te staan dat geld besteed wordt aan politieke partijen die de Islam als inspiratie zien. Dit geldt temeer als een deel van dit geld terecht zou kunnen komen bij islamisten, hoe gematigd ook.

Slot
De vooruitzichten voor echte democratische ontwikkeling in de Arabische wereld zijn voor de korte termijn niet goed. De democratieën die ontstaan zullen waarschijnlijk gekenmerkt worden door een almachtige meerderheid die zich weinig zal bekommeren om de rechten en noden van minderheden. In de staten van het Arabisch Schiereiland is het wellicht beter als een onvolledig democratisch systeem gebaseerd op alleen maar vertegenwoordiging voor de kleine groep staatsburgers niet toegepast wordt: hun economieën komen vast te zitten en de democratie wordt niet verder uitgebreid.

Europa kan nu helpen en een unieke positieve bijdrage leveren, maar de economische crisis en een sterk anti-islamitisch politiek klimaat in veel landen maken een grootschalig programma dat te vergelijken is met de steun aan Oost-Europa na 1989 onwaarschijnlijk. Het is te hopen dat de Europese Commissie en de VN, organen waar ironisch genoeg weinig direct democratisch toezicht op is, de staten in Noord-Afrika en het Midden-Oosten gaan ondersteunen in hun transitie naar democratie. Het is onwaarschijnlijker dan ooit tevoren dat de landen van de EU veel gaan betekenen. Zij zullen zich slechts in beperkte mate bekommeren om de vorm die democratie krijgt in de Arabische wereld. Ze zouden zich het lot van de Lente-Arabieren juist meer moeten aantrekken. Anders is het een kwestie van tijd voor de onechte democratieën aan de randen van Europa de liberale en democratische waarden (opnieuw) zullen overtreden. Een mogelijkheid zoals we die nu hebben om de revoluties ten goede te beïnvloeden zal dan echter niet meer voorhanden zijn.

Mike van de Weijer (1985) is politiek historicus. Tijdens zijn tweede studie Conflict Studies heeft hij onderzoek gedaan in Koeweit. Over enkele weken begint hij aan de Leergang Buitenlandse Betrekkingen aan het Instituut Clingendael te Den Haag.



[1] J. Willemsen, ‘Arabische lente en Westerse winterslaap’, Volonté Générale n° 1 (2011) 38.

[2] F. Zakaria, ‘The Rise of Illiberal Democracy’ in Foreign Affairs 76 (1997) 22-43, 26-29.

[3] R. Lyons, ‘Peacebuilding, democratization, and transforming the institutions of war’ in: B.W. Dayton en L. Kriesberg (ed.), Conflict Transformation and Peacebuilding (New York 2009) 91-106, 91-93.

[4] CIA World Factbook; Hoewel ongeveer de helft van de Marokkaanse bevolking een Berbertaal spreekt is een eventueel etnisch onderscheid tussen Berbers en Arabieren moeilijk aan te geven. Om uitputtend op de discussie rond zelfidentificatie van Berbers in te gaan zou waarschijnlijk zelfs een heel nummer van Volonté Générale niet voldoende zijn.

[5] De benamingen ‘Perzische Golf’ en ‘Arabische Golf’ zijn politiek geladen, dus ik volsta hier met ‘de Golf.’

[6] M. Herb, ‘A Nation of Bureaucrats: Political Participation and Economic Diversification in Kuwait and the United Arab Emirates’, International Journal of Middle East Studies 41 (2009) 375-395, 387-391.

[7] J. Crystal, ‘Political Reform and the Prospects for Democratic Transition in the Gulf’ in FRIDE Working Papers 11 (2005) 2-11.

[8] In het geval van de Zuid-Europese staten gaat het om de Europese Economische Gemeenschap. De Oost-Europese staten zijn voor hun toetreding beoordeeld door de Europese Unie.

[9] ‘Phare’ stond in 1989 voor ‘Poland Hungary Aid for the Reconstruction of the Economy,’ maar nadat het programma ook andere landen ging ondersteunen werd weinig aandacht meer besteed aan de precieze betekenis van deze afkorting. ‘Phare’ is ook Frans voor vuurtoren.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>