Afsplitsende Tweede Kamerleden: een veranderende verhouding tussen volksvertegenwoordiger en vertegenwoordigden?

Djoeke Altena

In mei 2014 zette fractievoorzitter Norbert Klein zijn partijgenote Martine Baay-Timmerman uit de Tweede Kamerfractie van ouderenpartij 50PLUS. Baay-Timmerman koos er voor om haar zetel niet ter beschikking te stellen aan de partij maar deze te blijven bezetten. Het handelen van Klein stuitte op weerstand binnen de partij. Het bestuur van 50PLUS stelde dat niet Klein, maar Baay-Timmerman haar vertegenwoordiger in de Kamer was. Het partijbestuur en een partijcongres vroegen Klein zijn zetel aan de partij te retourneren opdat een vertegenwoordiger van de partij hem kon vervangen, dit weigerde hij echter.[i]

De hiervoor geschetste casus toont ons een relatief veel voorkomend fenomeen in de Nederlandse politiek: ‘de afsplitsing’. Een breuk binnen een partij of fractie wordt een afsplitsing genoemd, indien degene die zich (al dan niet gedwongen) losmaakt van de partij of de fractie en besluit om zijn of haar Kamerzetel te behouden. Sinds 1919 is het 38 keer voorgekomen dat een Kamerlid of een groep Kamerleden zich afsplitst van de partij waartoe ze behoorden.[ii] Deze afsplitsingen kwamen echter tot 1968 amper voor. Tussen 2012 en 2014 waren er meer afsplitsingen dan tussen 1919 en 1968. Dit doet de vraag rijzen waardoor deze toename in het aantal afsplitsingen te verklaren is.

Afsplitsingen zijn een interessant fenomeen. Ze geven namelijk inzicht in de representatiegedachte van de volksvertegenwoordigers. De verhouding tussen de volksvertegenwoordiger en hetgeen hij representeert, wordt alleen getoetst tijdens de verkiezingen en indien een volksvertegenwoordiger zich afsplitst. Vanuit dit perspectief is het verbazingwekkend hoe weinig aandacht er in de literatuur besteed wordt aan afsplitsingen. Deze bijdrage zal allereerst kort ingaan op de juridische mogelijkheid tot afsplitsen, vervolgens zal de ontwikkeling van afsplitsingen tussen 1919 en 2014 geschetst worden.[iii]  Tot slot wordt op basis van deze ontwikkeling verklaard hoe de verhouding tussen de kiezer, de volksvertegenwoordiger en de politieke partij is veranderd.

Juridisch kader
De verhouding tussen de volksvertegenwoordigers en de burger is grondwettelijk vastgelegd. Artikel 50 van de Grondwet bepaalt dat de Staten-Generaal het ‘gehele Nederlandse volk’ vertegenwoordigen. Dit artikel moet in nauwe samenhang gelezen worden met artikel 67 lid 3 van de Grondwet. Het daar opgenomen verbod van ‘last’ (voorheen van ‘last en ruggespraak’) waarborgt de onafhankelijkheid van de volksvertegenwoordiger. Niemand kan het stemgedrag van een Kamerlid aanvechten omdat deze zich niet aan een overeenkomst of een toezegging heeft gehouden. Daarnaast kan niemand een volksvertegenwoordiger tot zetelafstand dwingen, dit wordt de restfunctie van het verbod op last genoemd.[iv]

In Nederland bestaat er geen ‘recall-recht’ op basis waarvan Kamerleden door de politieke partij of de kiezers tot zetelafstand gedwongen kunnen worden. Dit betekent echter niet dat het nooit is geprobeerd. In 1919 kwamen de kiezers van het rooms-katholieke Kamerlid Van Groenendael met een petitie waarin ze de regering en de Kamer vroegen het Kamerlidmaatschap van Van Groenendael ‘vervallen te doen verklaren’.[v] Dit initiatief bleek onsuccesvol. Behoudens ‘verzoeken’ aan Kamerleden om hun zetel ter beschikking te stellen zullen de kiezers weinig initiatieven nemen om zetelafstand af te dwingen. Dit beeld is anders bij politieke partijen. Elzinga concludeerde in 1982 dat het CDA en de PvdA de opgave van de Kamerzetel eisten na uittreding of ontzetting uit de partij of de fractie.[vi] Meer recent, in 2002, liet de SP haar Kamerleden nog vergelijkbare verklaringen tekenen.[vii] Deze pogingen mochten echter niet baten: juridisch gezien staat het een Kamerlid volledig vrij om zich af te splitsen en de zetel te blijven bezetten.[viii] Uiteraard kan een Kamerlid deze afspraken vrijwillig nakomen en zijn zetel vrijwillig ter beschikking van de partij stellen.

Ontwikkeling in afsplitsingen
Juridisch gezien wordt onafhankelijkheid van de volksvertegenwoordiger beoogd. Het is niet de bedoeling dat er macht over diens positie kan worden uitgeoefend. Daarom kan een Kamerlid niet tot zetelafstand gedwongen worden. Desondanks zien we grote verschillen in de aantallen afsplitsingen in bepaalde perioden. In de afsplitsingen tussen 1919 en 2014 is een ontwikkeling te zien in de argumenten die de Kamerleden geven voor het behoud van hun zetel en de reacties op dat besluit.

Kenmerkend voor afsplitsingen van voor 1968 is de afsplitsing van Kamerlid J.E.W. Duijs in 1935 van de Sociaal Democratische Arbeiders Partij (S.D.A.P.). De Tijd schreef:

Mr. Duijs is in het parlement gebracht door de S.D.A.P.; zijn zetel is een van de zetels die aan de sociaal-democraten behooren. Een ieder heeft het recht, van politieke kleur te veranderen, doch is, nu en steeds, in strijd met het meest elementaire politieke fatsoen, in zulk een geval een plaats bezet te houden, die men onder een andere kleur heeft verworven.[ix]

Het was een vanzelfsprekendheid dat de zetel aan de partij toebehoorde, die partij had de kandidaat het mandaat verleend. Tekenend zijn de woorden van fractievoorzitter Albarda over de voorkeurstemmen: ‘[D]e eer daarvan komt aan niemand persoonlijk toe, maar aan ons allen tezamen!’.[x] De vertegenwoordiger is een afgevaardigde van de partij, daarom komt de zetel in zijn visie toe aan die partij.

Tot 1968 is het goed te verdedigen dat afsplitsen onjuist is door te verwijzen naar de algemene praktijk. Bij het afsplitsen van Duijs werd benadrukt dat hij onjuist handelde terwijl Visscher, die in dezelfde tijd zijn partij verliet, correct handelde door zijn zetel ter beschikking van de partij te stellen. Toen de groep-Gortzak (ook wel ‘Bruggroep’) zich in 1958 afsplitste van de Communistische Partij Nederland (CPN) erkende zij nadrukkelijk dat de zetels aan de partij toebehoorden. Gortzak c.s. achtten het echter gerechtvaardigd om de zetels te blijven bezetten totdat het er binnen de partij weer reglementair aan toeging.[xi] Dit vormde het begin van een nieuwe vertegenwoordigingsgedachte: Kamerzetels behoren aan politieke partijen, tenzij deze hun vertegenwoordigingstaak niet goed uitoefenen.

Deze gedachte zien we terug bij de afsplitsingen van de Boerenpartij (1966, 1968, 1971), een partij die aan de zelf gecreëerde onwerkbare verhoudingen ten onder zal gaan.[xii] De afsplitsende Kamerleden Goedhart c.s. (1970)[xiii], Huijsen (1976)[xiv], Scholten en Dijkman (1983)[xv] geven ook aan dat hun politieke partijen haar vertegenwoordigende taak niet goed uitoefenen, door zich af te splitsen zouden ze het partij- en het verkiezingsprogram beter naleven. Fred van der Spek die zich in 1986 afsplitste van de Pacifistisch Socialistische Partij (PSP), gaf ook nadrukkelijk aan dat zetels aan partijen toebehoren en niet aan personen. In zijn ogen mag hier een uitzondering op worden gemaakt indien niet het Kamerlid maar de fractie van visie is veranderd.[xvi] De afsplitsende Tweede Kamerleden beroepen zich op het partij- en verkiezingsprogram om het behoud van de Kamerzetel te rechtvaardigen.

Dit verandert geleidelijk vanaf 2002, in reactie op de afsplitsende Kamerleden van de Lijst Pim Fortuyn (LPF) stelde Kamervoorzitter Weisglas dat afsplitsen moeilijker gemaakt zou moeten worden.[xvii] In zijn ogen zijn alleen Kamerleden die de voorkeursdrempel (van ongeveer 15.000 voorkeurstemmen) behalen gerechtigd om zich af te splitsen. Weisglas zou deze mening ook bij andere afsplitsingen uitdragen en blijven pleiten voor een bemoeilijking van afsplitsingen, tenzij voldoende voorkeurstemmen behaald zijn.[xviii] Hiermee legde Weisglas de fundering voor de huidige visie: een Kamerlid mag zich alleen afsplitsen, indien hij voldoende voorkeurstemmen heeft behaald. Dit zien we terug bij de afsplitsingen na 2002. Ali Lazrak die zich in 2004 van de SP afsplitste kreeg te horen dat hij niet voldoende voorkeurstemmen had behaald. Hij was zelf van mening dat hij ‘zijn’ 3000 kiezers moest vertegenwoordigen. Rita Verdonk behaalde 620.555 voorkeurstemmen voordat ze zich van de VVD afsplitste. Er was niemand die beweerde dat Verdonk geen vertegenwoordigend vermogen had.[xix]

Bij alle recente afsplitsingen wordt er ook direct gekeken naar het aantal voorkeurstemmen dat een politicus behaald heeft. Hierdoor lijken de verdiensten of de persoon van het Kamerlid belangrijker te zijn dan het al dan niet beter naleven van het partij- en verkiezingsprogram. Pas tachtig jaar na de invoering van het evenredige kiesstelsel lijkt de intentie van de Grondwet, Kamerleden die zonder last van hun partijen opereren, weer binnen handbereik.

Gewijzigde verhoudingen
Tot op heden wordt er bij elke afsplitsing gezegd dat deze in strijd is met de heersende mores van de Nederlandse politiek. Het argument hiervoor is dat de kiezers op een politieke partij stemmen en dat politici alleen door die politieke partij in de Tweede Kamer komen. Dit wordt gestaafd door het feit dat de meeste afsplitsende politici geen vernieuwd mandaat krijgen bij de verkiezingen. In de praktijk zien we dat politici denken dat afsplitsen in beginsel niet toegestaan is, tenzij daar een goede reden voor is: iets dat het behoud van de zetel legitimeert.

Deze legitimering werd van origine op de politieke partij gericht, bijvoorbeeld ruzie binnen de partij of het feit dat de partij zich niet aan de beginselverklaring, het verkiezings- of partijprogram houdt. De afsplitsende politici Gorztak c.s. (1958) en Van der Spek (1986) gaven expliciet aan dat de zetels aan hun partij behoorden, maar ze zich door de gang van zaken gelegitimeerd zagen om hun zetel niet af te dragen. Betoogd zou kunnen worden dat de politici Goedhart c.s. (1970), Huijsen (1976) en Scholten en Dijkman (1983) impliciet aangeven dat Kamerzetels aan de partij behoren op basis van haar program en dat een schending van het program een legitimering voor afsplitsing geeft.

De legitimering ligt sinds 2002 voornamelijk bij het aantal behaalde voorkeurstemmen. Hiermee lijkt de verhouding tussen de kiezer en de vertegenwoordiger weer te prevaleren boven de verhouding tussen de vertegenwoordiger en de politieke partij. w

Djoeke Altena (1991) is jurist, momenteel bezig met de afronding van zijn master civiel recht aan de Radboud Universiteit te Nijmegen en heeft afgelopen jaar de geschiedenis master Politiek & Parlement afgerond. In het kader van die studie heeft hij zich verdiept in afsplitsende Tweede Kamerleden.

Addendum: Groep Kuzu/ Öztürk

Tekenend voor de actualiteit van afsplitsingen is de afsplitsing van de leden Tunahan Kuzu en Selcuk Öztürk. In de nacht van 13 november2014  werden de Kamerleden Kuzu en Öztürk uit de PvdA-fractie gezet.[xx] het licht van dit artikel is het interessant om te zien hoe er op de afsplitsing gereageerd werd. Geheel in lijn met het artikel werd de nadruk gelegd op het aantal behaalde voorkeurstemmen en de vraag wie deze Kamerleden vertegenwoordigen.[xxi] De net afgesplitste Kamerleden roepen via de sociale media de burgers op om hun van input en ideeën te voorzien.[xxii] In hun eigen verklaringen geven Kuzu en Ozturk aan dat ze zich gesterkt voelen door de vele steunbetuigingen die ze krijgen en dat ze het ‘kritische geluid van veel mensen, waaronder teleurgestelde PvdA-kiezers (…) vertolken’.[xxiii] Hiermee geven ze aan dat de band tussen de volksvertegenwoordiger en het electoraat, in hun ogen, belangrijker is dan de band tussen de volksvertegenwoordiger en de politieke partij.



[i] ‘50Plus + 50Plus = puberpartij’, NRC Handelsblad (3 juni 2014) ; ‘Kopstukken 50Plus kibbelen maar door; Overgebleven Kamerlid: ik kreeg alleen tegenwerking’ De Telegraaf (2 juni 2014); ‘Hersenschimmen’, de Volkskrant (31 mei 2014) 15; ‘50Plus maakt van breuk een klucht’, de Volkskrant (30 mei 2014); ‘Het is nu echt een puinhoop geworden bij de ouderenpartij’, NRC Handelsblad (30 mei 2014 ) 6; ‘Vertrek Martine Baay uit Tweede Kamerfractie’, Website Norbert Klein (29 mei 2014) online beschik baar via: http://norbertklein.nl/diversen/vertrek-martine-baay-uit-tweede-kamerfractie/  (geraadpleegd op 4 oktober 2014).

[ii] ‘Afsplitsingen fracties Tweede Kamer’, Parlement & Politiek (z.d.) online beschikbaar via: http://www.parlement.com/id/vh8lnhrpmxvk/afsplitsingen_fracties_tweede_kamer (geraadpleegd 4 oktober 2014).

[iii] Voor het jaartal 1919 is gekozen omdat dit werk alleen afsplitsingen na de invoering van het algemeen kiesrecht wil behandelen.

[iv] D.J. Elzinga en C. Wisse, De parlementaire fractie (Groningen 1988) 185, 187; P.P.T. Bovend’Eert en H.R.B.M. Kummeling, Het Nederlandse parlement (Deventer 2010) 131-132; Kleijkers, Stemmen zonder last. De functie van het vrije mandaat in het hedendaagse staatsrecht (Maastricht 1993) 265-272.

[v] ‘Een schrijven van mr. Van Groenendael’, De Telegraaf (9 september 1919) 5; ‘De zaak- Van Groenendael, Een petitionnement tot Kamerontbinding?’, De Telegraaf (23 oktober 1919) 6.

[vi] D.J. Elzinga, De politieke partij en het constitutionele recht (Nijmegen 1982) 193.

[vii] ‘Verslag bevindingen inzake conflict Ali Lazrak – SP’ SP.nl (geraadpleegd 21-07-2014).

[viii] HTK 1978-1979, 14224, nr. 6, p.7; HR 18 november 1988, AB 1989, 185 (Arubaanse verkiezingsafspraak).

[ix] ‘De Kamerzetel van Mr. J.E.W. Duys’, De Tijd: godsdienstig-staatkundig dagblad (30 november 1935)1; ‘Het uittreden van mr. Duys’ De Sumatra Post (11 december 1935) 13.

[x] ‘De kwestie Duys; antwoord van Mr. Albarda’, Nieuwe Tilburgsche Courant (18 december 1935) 1.

[xi] ‘CPN I en II “duelleerden” bij installatie in Kamer’, De Telegraaf (16 april 1958) 4.

[xii] ‘Kamerfractie BP uiteengevallen, Strijd om de macht tussen Koekoek en Harmsen’, De Waarheid (14 december 1966) 1; ‘Stellingenoorlog in Boerenpartij’, De Waarheid (26 juni 1968) 3; ‘Niet wij, maar Koekoek weg’ Friese koerier (24 juni 1968) 11; ‘Groep Harmsen omgevormd in partij “Binding-Rechts”’, Leeuwarder courant (21 oktober 1968) 3; ‘Nieuwe partij opgericht, Binding-Rechts voor 300 leden’, De Tijd (21 oktober 1968) 7; ‘Koekoeks fiasco nu compleet’ Nieuwsblad van het Noorden (16 november 1968) 3; ‘Uit de Kamer geklapt, Aartsvijanden kijken Koekoek in de nek’, Leeuwarder courant (16 november 1968) 13.

[xiii] ‘Goedhart uit de PvdA-fractie’, De waarheid (31 maart 1970) 2; ‘DS’70 vijftiende partij in parlement, Den Uyl versnelt breuk’, De tijd: dagblad voor Nederland (14 mei 1970) 1; ‘Uitgetreden PvdA’ers als groep- Goedhart in de Kamer’, Nieuwsblad van het Noorden (15 mei 1970) 25; ‘Den Uyl’, De tijd: dagblad voor Nederland (14 mei 1970) 6; ‘Goedhart: met DS’70 de echte doorbraak’, Het vrije volk: democratisch socialistisch dagblad (20 mei 1970) 21.

[xiv] HTK 1975-1976, 3675-3676; ‘Jac. Huijsen verdedigt innemen kamerzetel’, Nederlands dagblad: gereformeerd gezinsblad (31 maart 1976) 5; ‘CHU verliest zetel aan Jac. Huysen’ De Telegraaf (22 maart 1976) 3.

[xv] HTK 1983-1984, 1796-1801; ‘Spookrijders’, De Telegraaf (21 oktober 1983) 3; ‘CDA- dissidenten vormen desnoods tweemans-fractie’, Nieuwsblad van het Noorden (9 november 1983) 1; ‘CDA speelt Scholten en Dijkman bal terug’ Het vrije volk (07 januari 1983) 3.

[xvi] HTK 1985-1986, 2573.

[xvii] ‘Weisglas: Afsplitsen bemoeilijken’, Trouw.nl (12 december 2002) online beschikbaar via: http://www.trouw.nl/tr/nl/5009/Archief/archief/article/detail/2582845/2002/12/12/Weisglas-Afsplitsing-bemoeilijken.dhtml (geraadpleegd 05 oktober 2014).

[xviii]  ‘Weisglas wil afsplitsing in Kamer onmogelijk maken’, Dagblad van het Noorden (17 januari 2004); ‘Weisglas wil geen splinterfracties’ AlgemeenDagblad (17 januari 2004) 5; ‘Afsplitsing is zetelroof’ Website Frans Weisglas (z.d.) online beschikbaar via: http://www.fransweisglas.nl/images/uploads/publicaties/59.pdf (geraadpleegd 26 juli 2014); ‘Weisglas: Afsplitsing bemoeilijken’ Trouw (12 december 2002) 3; ‘Uit de fractie, dan ook uit de Kamer’, het Parool 12 december 2002) 6.

[xix] Saillant detail: deze beredeneerwijze houdt geen rekening met de kiesdrempel. Verdonk behaalde bij de verkiezingen van 2010 49.992 voorkeurstemmen, wat niet genoeg was voor een zetel omdat haar partij de kiesdrempel niet behaalde.

[xx] ‘PvdA stuurt Turkse Kamerleden weg na kritiek op integratiebeleid Asscher’, Volkskrant.nl (14 november 2014) http://www.volkskrant.nl/politiek/pvda-stuurt-turkse-kamerleden-weg-na-kritiek-op-integratiebeleid-asscher~a3789737/ (geraadpleegd 20 november 2014).

[xxi] Kritiek PvdA op ‘vreselijke uitspraken’eigen Turkse Kamerleden’ Website Parool < www.parool.nl > ‘Pvdgeraadpleegd 20-11-2014.

[xxii] Dit is overigens geen nieuwe ontwikkeling, toen de Kamerleden J.M. Aarden, H. Kessel en P.J. Janssen zich in  1968 van de Katholieke Volkspartij (KVP) afsplitsten riepen dezen hun kiezers ook op om adhesiebetuigingen op te sturen. Zie: ‘Groep-Aarden is tegen het etiket “christelijk”’,  De Tijd: dagblad voor Nederland (28 februari 1968) 1.

[xxiii] ‘ Laat je stem horen!’, Bericht op Facebook-pagina Tunahan Kuzu (14 november 2014). ‘Iedereen bedankt!’, Bericht op Facebook-pagina Tunahan Kuzu (14 november 2014).

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>